Eén weg, één waarheid: Waarom de Bijbel zegt dat we ons moeten afscheiden van valse leer.
Vrijwel iedereen in Nederland kent de uitspraak: "Leef en laat leven." Het klinkt vriendelijk. Het past bij ons land, waar we gewend zijn om te polderen, om compromissen te sluiten en om vooral niemand voor het hoofd te stoten. Ook in het geloof is dat de heersende gedachte geworden: elke kerk heeft een eigen kijk, iedereen gelooft op zijn eigen manier, en uiteindelijk komen we allemaal op dezelfde plek uit. Wie dan zegt dat er maar één waarheid is, wordt al snel gezien als star, hard of zelfs verdeeldheidzaaiend.
Maar wat zegt de Bijbel zelf? Dat is de enige vraag die telt. Veel mensen denken dat de Bijbel alleen maar oproept tot vrede en eenheid, en dat iedereen die ergens van wegblijft of zich afscheidt, dus tegen de Bijbel ingaat. Toch staat er ook geschreven dat we sommige mensen en sommige leringen juist moeten markeren, dat we moeten uitgaan uit het midden van hen en dat Jezus Christus zelf zei dat Hij verdeeldheid kwam brengen. Is dat een tegenspraak? Nee. De Bijbel spreekt zichzelf nooit tegen. In deze blog laten we stap voor stap zien dat Gods Woord de eenheid in de waarheid gebiedt, en daarom ook de scheiding van alles wat de waarheid tegenspreekt.
Wij schrijven dit als gemeente De Waarheid Gods, maar we willen niets zeggen wat niet in de Bijbel staat. Alles wat hieronder staat, kun je zelf opzoeken. Lees dus vooral met de Bijbel naast je open.
Een tijd waarin niemand meer wil luisteren
De Bijbel voorzegt dat de tijd waarin we leven er een zal zijn waarin mensen niet meer willen luisteren. Paulus noemt in Romeinen 1:30 mensen die "uitvinders van kwaad" zijn en "ongehoorzaam aan de ouders". En in 2 Timotheüs 3:1-5 staat dat er in de laatste dagen "zware tijden" zullen komen, met mensen die zichzelf liefhebben, eigenzinnig zijn, ongehoorzaam aan hun ouders, en die "een schijn van godsvrucht hebben, maar de kracht ervan verloochenen". Van zulke mensen zegt de Bijbel: "keer u van hen af" (2 Timotheüs 3:5).
Kijk maar om je heen. Veel kinderen willen hun ouders vertellen hoe het moet. Veel mensen willen God vertellen hoe Hij aanbeden moet worden. Het is dezelfde houding: "Ik bepaal zelf wel wat goed is." Spreuken 14:12 waarschuwt: "Er is een weg die iemand recht lijkt, maar het einde ervan zijn wegen des doods."
Stel dat een jongere van twintig nog bij zijn ouders woont. Hij vindt de regels van het huis maar niks: tijdstippen, afspraken, wie wat doet. Hij gaat ertegenin en zegt: "Ik doe het op mijn eigen manier." Wat is dan het meest verstandige advies? Zoek een eigen huis. Wie onder het dak van zijn ouders woont, hoort zich aan hun regels te houden. In je eigen huis kun je je eigen regels maken. Zijn ouders hebben het volste recht om te zeggen: "Hier gelden onze regels, en als je dat niet kunt, dan moet je vertrekken." Dat is geen hardheid; zo werkt een huis. De Bijbel zegt het ook: "Kinderen, wees uw ouders gehoorzaam in de Heere, want dit is recht" (Efeziërs 6:1).
Gods huis, Gods regels
Wat voor een gewoon huis geldt, geldt nog veel sterker voor het huis van God. Paulus schrijft aan Timotheüs dat hij wil dat hij weet "hoe men zich in het huis van God moet gedragen, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en grondslag van de waarheid" (1 Timotheüs 3:15). Er zijn dus gedragsregels in Gods huis. En die regels zijn niet door mensen bedacht, maar door de Bouwer zelf. Hebreeën 3:3-4 zegt dat Hij die het huis gebouwd heeft meer eer waard is dan het huis, en dat Hij die alles heeft gebouwd God is.
Jezus Christus zei tegen Petrus: "Op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen" (Matteüs 16:18). Let op: Ik zal bouwen. Het is Zijn gemeente. Als Jezus Christus zelf bouwt, dan kan geen mens komen en er iets uit halen wat Hij erin heeft gezet, en niemand kan er iets bij zetten wat Hij er niet in gezet heeft. Openbaring 22:18-19 en Deuteronomium 4:2 zeggen het zo: er mag niets worden toegevoegd en niets worden weggenomen.
Wat zette God in de gemeente?
1 Korintiërs 12:28 zegt: "God heeft sommigen in de gemeente gesteld: ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van genezing, hulpverleningen, besturen, verscheidenheid van talen." Merk op: God heeft ze gesteld. Dus een mens kan die ambten niet afschaffen en ook niet zelf nieuwe uitvinden.
Efeziërs 4:11-13 laat zien hoe lang die ambten blijven bestaan: God gaf sommigen als apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars, "tot de toerusting van de heiligen... totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God". Zolang die eenheid van het geloof er niet is, zijn die ambten nog nodig. Omdat er maar één gemeente is (Efeziërs 4:4: "één lichaam"), zijn de ambten die er toen waren, er nu nog steeds. God zegt immers: "Ik, de HEERE, word niet veranderd" (Maleachi 3:6).
Wie is een apostel?
Soms wordt beweerd dat je alleen apostel kunt zijn als je met Jezus Christus in het vlees hebt gewandeld. Anderen zeggen dat je Zijn opstanding persoonlijk gezien moet hebben. Maar Paulus was er niet bij toen Jezus Christus op aarde rondliep en Hij was er ook niet bij toen Hij opstond. Toch zegt hij in 1 Korintiërs 15:8: "Het laatst van allen is Hij ook aan mij verschenen." En in Galaten 1:1 noemt hij zichzelf "apostel, niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus en God de Vader". Jezus Christus verscheen aan hem op de weg naar Damascus (Handelingen 9:3-6; 26:16). Een apostel wordt dus niet gemaakt door een opleiding, een diploma of een stemming. Hij is door God geroepen, gezonden, aangewezen en gezalfd.
De vrouw in de gemeente
Het is dan ook geen kleinigheid dat in veel kerken vrouwen als predikant, voorganger of ouderling optreden. De Bijbel zegt het heel duidelijk. "Een vrouw moet in stilheid leren, in alle onderdanigheid. Ik sta een vrouw niet toe te leren, noch over de man te heersen, maar zij moet in stilheid zijn" (1 Timotheüs 2:11-12). Paulus legt het niet uit met de cultuur van zijn tijd, maar met de schepping: "Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva" (vers 13). In 1 Korintiërs 14:34-37 zegt hij dat de vrouwen in de gemeente moeten zwijgen, en hij voegt eraan toe: "Wat ik u schrijf, zijn geboden van de Heere." Ook het hoofddeksel is geen mensenregel: 1 Korintiërs 11:3-16 legt uit waarom de vrouw haar hoofd bedekt, en Paulus sluit af met: "Wij hebben zo'n gewoonte niet, de gemeenten van God ook niet" (vers 16).
Het ambt van ouderling of opziener is volgens Titus 1:5-9 en 1 Timotheüs 3:2 voor een man, de man van één vrouw. Let ook op het volgende: in de Bijbel bestaat geen "onder-opziener", geen "hulpherder" en geen "halve ouderling" zoals sommige kerken dat kennen. Paulus noemt de ambten zoals God ze gaf: opziener (bisschop), ouderling en diaken (Filippenzen 1:1; Titus 1:5-7). Je bent het of je bent het niet.
De weg van de heiligheid: één weg voor iedereen
Jesaja 35:8 zegt: "En daar zal een gebaande weg zijn, een weg die genoemd zal worden de heilige weg; geen onreine zal die betreden." God heeft één grote snelweg aangelegd, en iedereen moet over dezelfde weg. Niet een weg voor Amerikanen, een andere voor Nederlanders en weer een andere voor mensen op eilanden. Jezus Christus zei het zelf: "Nauw is de poort en smal de weg die tot het leven leidt, en weinigen zijn er die die vinden" (Matteüs 7:14) en "Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij" (Johannes 14:6).
Paulus is hier even scherp over als over alles: "Maar al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een ander evangelie verkondigen dan wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt" (Galaten 1:8). En in vers 11-12 zegt hij dat het evangelie niet van mensen is, maar door Jezus Christus is geopenbaard. Het is dus geen Nederlands, geen Amerikaans, geen Afrikaans evangelie: het is een hemels evangelie, en het geldt overal hetzelfde. Dat is ook wat Paulus zegt over zijn eigen prediking: "zoals ik overal in elke gemeente leer" (1 Korintiërs 4:17), en: "zoals in alle gemeenten van de heiligen" (1 Korintiërs 14:33).
Houd de heiligheid heilig
Een weg van heiligheid betekent dat we de heiligheid niet vermengen met andere dingen. "Jaag de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zal zien" (Hebreeën 12:14). "Wees heilig, want Ik ben heilig" (1 Petrus 1:15-16; Leviticus 19:2). Over de leiders in Israël klaagde God: "Zij maken geen onderscheid tussen heilig en onheilig" (Ezechiël 22:26). Ook het boek Wijsheid van Salomo (6:10), dat veel kerken tot de apocriefe boeken rekenen, zegt dat zij die de heilige dingen heilig bewaren, heilig zullen worden bevonden. Wat in andere kerken wordt toegestaan of ingevoerd en niet in de Bijbel staat, mag dus niet worden meegenomen naar Gods gemeente: "Wat heeft een gelovige gemeen met een ongelovige?" (2 Korintiërs 6:15). Ook als dat betekent dat er mensen weggaan, blijft de heiligheid heilig. Toen veel leerlingen van Jezus Christus wegliepen omdat Zijn woorden hen te hard waren, vroeg Hij de twaalf: "Wilt u ook niet weggaan?" (Johannes 6:66-67). Hij paste Zijn woorden niet aan om mensen te houden.
"Staat het geschreven?" Blijf bij het Woord
Hoe weet je wat waar is? Jezus Christus gaf zelf het voorbeeld. In Lucas 4:16-21 komt Hij in Nazareth, in de synagoge, "zoals Zijn gewoonte was". Hij staat op om te lezen, het boek van de profeet Jesaja wordt Hem gegeven, Hij slaat het open en vindt de plaats waar geschreven staat. Hij had alle recht om Zijn eigen woorden te spreken, want Hij is het Woord (Johannes 1:1,14). Toch opent Hij het boek en leest wat er staat. Hij geeft ons daarmee een voorbeeld, "opdat u Zijn voetstappen zou navolgen" (1 Petrus 2:21). Wie in Zijn naam spreekt, moet dus het boek openen en uit de Schrift laten zien dat het zo is. Wie dat niet kan, hoort niet op de kansel. Een prediker die zijn mening, zijn "persoonlijke kijk" of zijn "eigen visie" brengt in plaats van wat geschreven staat, bouwt niet mee aan Gods huis. Daarom leert de kerkgemeente van de Waarheid Gods niets zonder dat het met de Schrift is aan te tonen.
Dat is ook wat Jezus Christus deed na Zijn opstanding. Zelfs nadat Hij uit de dood was opgestaan, legde Hij alles uit "beginnend bij Mozes en bij al de profeten" (Lucas 24:27), en zei Hij: "Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak toen Ik nog bij u was: dat alles vervuld moest worden wat over Mij geschreven is in de wet van Mozes, de profeten en de psalmen" (Lucas 24:44). Daarna "opende Hij hun verstand om de Schriften te begrijpen" (vers 45). Zelfs de opgestane Heer verwees naar wat geschreven stond. En de apostelen deden hetzelfde: toen er nog geen Nieuwe Testament was, predikten ze uit wat de profeten hadden gesproken.
De Bijbel zegt het ook op andere plaatsen. "Niet boven hetgeen geschreven is" (1 Korintiërs 4:6). "Tot de wet en tot het getuigenis! Als zij niet naar dit woord spreken, dan is het omdat er voor hen geen morgenrood is" (Jesaja 8:20). De mensen in Berea worden "edeler" genoemd dan anderen, omdat zij "dagelijks de Schriften onderzochten of deze dingen zo waren" (Handelingen 17:11).
Stel je een zoom voor van een rok of een broek. Zit de zoom met grove, wijde steken vast, dan kan hij gaan flapperen en loskomen. Naai je met fijne, kleine steken die dicht bij elkaar liggen, dan blijft alles netjes op zijn plaats, wat je ook doet: rennen, springen, spelen. Zo is het ook met de leer. Een prediker die voor elk detail een Bijbeltekst geeft, houdt de kerkgemeente op haar plaats met het eeuwige Woord van God. Wie alleen grote lijnen trekt en zegt "dat vult iedereen zelf maar in", krijgt een kerk waar het loshangt. Daarom blijven wij bij: wat is geschreven? Zo hoort het ook te zijn: "Predik het Woord; houd daarmee aan, gelegen of ongelegen" (2 Timotheüs 4:2).
Het Bijbel-dieet. Zoals je lichaam goed voedsel nodig heeft om gezond te blijven, heeft je geest het Woord nodig. Jezus Christus zei: "De mens zal niet van brood alleen leven, maar van elk woord dat uit de mond van God uitgaat" (Matteüs 4:4). Petrus schrijft: "Verlang als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk van het Woord, opdat u daardoor mag opgroeien" (1 Petrus 2:2). Als een kerk haar leden voedt met meningen, verhalen en motivatie in plaats van met "wat is geschreven", dan worden de mensen ondervoed. Wat betekent dat concreet? Dat elke preek, elke les en elke uitspraak in de gemeente met de Schrift te controleren moet zijn.
Overal en door iedereen hetzelfde gepredikt
Als er één God is, één waarheid en één gemeente, dan moet er ook één boodschap zijn, die door alle predikers op dezelfde manier wordt gebracht. En dat is precies wat de Bijbel zegt. "Ik bid u, broeders, in de naam van onze Heere Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt en dat er geen verdeeldheid onder u is, maar dat u volkomen verenigd bent in dezelfde gezindheid en in hetzelfde gevoelen" (1 Korintiërs 1:10).
We zien dat bij de apostelen zelf. Petrus, Paulus, Barnabas, Matthias (die in de plaats van Judas kwam, Handelingen 1:26), Titus, Timotheüs, Filemon: ze spraken allemaal hetzelfde. Toen er in Antiochië een vraag was over de wet, stuurde de gemeente in Jeruzalem Judas en Silas mee met Paulus en Barnabas, en over hen staat: "Zij zullen u zelf ook met woorden hetzelfde verkondigen" (Handelingen 15:27). Dat is Gods plan: geen eilanden met eigen evangeliën, maar één boodschap. Net zoals Noach de ark bouwde naar Gods plan (Hebreeën 11:7), bouwt God Zijn gemeente, en het oordeel komt: "Want zoals de dagen van Noach waren, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn" (Matteüs 24:37). "De komst van de Heere is nabij" (Jakobus 5:8). Er is dus geen tijd te verliezen voor eigen ideeën.
Waarom het niet mag verschillen per land, per eiland of per dorp
Je hoort soms dat een prediker ergens ver weg zegt: "Wij zijn hier anders, wij doen het op onze manier." Maar de Bijbel kent geen eigen gemeentevariant per land. Er is "één Heere, één geloof, één doop" (Efeziërs 4:5). Dat geldt in Amsterdam, in Paramaribo, in Kingston en in Parijs. Als iemand een andere boodschap brengt dan de apostelen, en zegt "God heeft mij een nieuwe openbaring gegeven", dan geldt: God zegt nooit iets wat Zijn eigen Woord tegenspreekt. Dat is wat Galaten 1:8-9 zegt, en ook 1 Johannes 4:1: "Geliefden, geloof niet elke geest, maar beproef de geesten of zij uit God zijn." Je test een openbaring dus aan wat er geschreven staat. Past het niet? Dan is het niet van God, hoe groot de zalving ook lijkt, hoe hard er ook gesproken wordt of hoeveel mensen er achter staan. Zelfs Jezus Christus waarschuwde: "Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd?... En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend, ga weg van Mij, gij werkers van de ongerechtigheid" (Matteüs 7:22-23).
Denk aan mensen die uit een leven kwamen van drugs, de gevangenis, een wild en moeilijk leven. Ze zijn bevrijd door de boodschap van de waarheid. Ze lezen mee in hun Bijbel, ze controleren wat ze horen. Als ze dan merken dat er ineens iets verteld wordt dat niet in de Bijbel staat, dan komen er vragen. Zij komen immers net uit leugens, uit kerken waar ze verkeerde dingen leerden, en nu zouden ze opnieuw voorgelogen worden? Dat is niet alleen teleurstellend, het is gevaarlijk voor hun ziel. Paulus zegt over de Korintiërs, die zulke levens achter zich hadden (1 Korintiërs 6:9-11): "En sommigen van u zijn dat geweest; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd in de naam van de Heere Jezus." Wie zo is gered, heeft recht op zuiver onderwijs.
Wat zegt de Bijbel nu over verdeling?
Nu komen we bij de kern van deze blog. De Bijbel zegt namelijk niet alleen: "wees eensgezind". Ze zegt ook, op meerdere plaatsen en heel duidelijk, dat sommige verdeeldheid door God gewild is.
Let op wie de verdeeldheid veroorzaken
"Ik bid u, broeders, let op hen die verdeeldheid en ergernissen veroorzaken, in strijd met de leer die u geleerd hebt, en wijk van hen" (Romeinen 16:17). In sommige vertalingen staat dat je hen "moet merken" (markeren). Wie zijn dat? Niet degene die vasthoudt aan de leer, maar degene die ervan afwijkt. De verdeling begint dus niet bij wie zegt: "Zo staat het geschreven", maar bij wie komt met iets anders. En wat moeten we doen? "Wijk van hen." Dat is de opdracht. De Bijbel zegt hier dus gewoon: ga bij hen weg.
Ook Titus 3:10-11 zegt: "Een ketters mens, na een eerste en tweede vermaning, wijs af, wetende dat zulk een mens verkeerd is en zondigt, door zichzelf veroordeeld." En 2 Johannes 1:9-11: "Wie voortgaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet. Wie in de leer blijft, die heeft zowel de Vader als de Zoon. Als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvang hem niet in huis en groet hem niet." Dat is niet bedoeld om mensen te haten, maar om de kerkgemeente en de leer zuiver te houden.
Ga uit het midden van hen
2 Korintiërs 6:14 zegt: "Wordt niet in een ongelijk span getrokken met ongelovigen. Want welke deelneming heeft de gerechtigheid met de wetteloosheid? Of welke gemeenschap het licht met de duisternis?" Denk aan twee dieren van verschillende soort onder één juk: het ene wil naar links, het andere naar rechts. Ze trekken elkaar kapot. Zo is het ook met waarheid en dwaling in één gemeente.
En dan komt vers 17: "Daarom, ga uit het midden van hen, en scheid u af, zegt de Heere, en raak niets onreins aan; en Ik zal u aannemen." Dit is geen advies. Het is een bevel van God. En het wordt gevolgd door een belofte: "Ik zal u aannemen" en "Ik zal u tot een Vader zijn" (vers 18). Datzelfde staat in Openbaring 18:4: "Ga uit van haar, Mijn volk, opdat u geen deel hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen." Wie in een kerk zit waar dwaling wordt geleerd, wordt dus door God zelf opgeroepen om er uit te gaan. Dat Bijbelse patroon zien we overal: Abraham moest uit zijn land en zijn familie vertrekken (Genesis 12:1), Lot werd uit Sodom geleid (Genesis 19:12-17), Israël trok uit Egypte (Exodus 12:31-41), Noach ging de ark in terwijl de rest van de wereld doorleefde (Genesis 7:1; Matteüs 24:37-39).
Jezus Christus zelf bracht verdeeldheid
Het wordt nog opvallender. Jezus Christus zei: "Denkt u dat Ik gekomen ben om vrede te geven op de aarde? Nee, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid" (Lucas 12:51). En in Matteüs 10:34-36: "Denk niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want Ik ben gekomen om een man tegen zijn vader te verdelen, en een dochter tegen haar moeder." Wie de waarheid volgt, krijgt soms tegenstand van zijn eigen familie. Johannes laat zien dat er over Jezus Christus telkens "verdeeldheid onder het volk" ontstond (Johannes 7:43; 9:16; 10:19).
En Paulus schrijft: "Want er moeten ook partijen onder u zijn, opdat degenen die goedgekeurd zijn, onder u openbaar worden" (1 Korintiërs 11:19). Verdeling brengt aan het licht wie bij de waarheid blijft en wie niet.
Ook in het Oude Testament zien we dat God scheiding eist. Mozes stond in de ingang van het kamp en riep: "Wie voor de HEERE is, kom hier bij mij!" (Exodus 32:26). Elia vroeg het volk: "Hoelang blijft u nog op twee gedachten hinken? Als de HEERE God is, volg Hem dan" (1 Koningen 18:21). En Jozua zei: "Kies u heden wie u dienen zult... maar ik en mijn huis, wij zullen de HEERE dienen" (Jozua 24:15). Het gaat steeds om een keuze, en een keuze betekent dat je iets achterlaat.
Spreekt de Bijbel zichzelf dan niet tegen? Eenheid in de waarheid
Hierboven staat dat de Bijbel scheiding vraagt. Maar dezelfde Bijbel vraagt ook om eenheid. Is dat dan een tegenspraak? Laten we de teksten over eenheid eerlijk bekijken:
"Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het als broeders ook samen wonen in eenheid" (Psalm 133:1).
"Ik bid... dat zij allen één mogen zijn, zoals U, Vader, in Mij en Ik in U" (Johannes 17:20-21).
"Beijver u de eenheid van de Geest te bewaren door de band van de vrede: één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping; één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen" (Efeziërs 4:3-6).
"Vervul mijn blijdschap, dat u eensgezind bent, dezelfde liefde hebt, één van ziel bent en op één ding bedacht" (Filippenzen 2:2).
"Dat u eensgezind met één mond God verheerlijkt" (Romeinen 15:5-6).
"Het geheel van gelovigen was één van hart en ziel" (Handelingen 4:32).
Hier staat niet "wees één in wat je ook gelooft", maar één Heere, één geloof, één doop, één God. Dit is eenheid in de waarheid. Amos 3:3 stelt de vraag: "Zullen twee tezamen wandelen, tenzij zij het eens geworden zijn?" Waarheid en dwaling kunnen niet samen optrekken. Eenheid en scheiding zijn dus geen tegenstellingen, ze horen bij elkaar:
Eenheid is het doel. God wil één lichaam, met één geloof.
Die eenheid is alleen mogelijk in de waarheid. Daarom staat in 1 Korintiërs 1:10 dat we allemaal hetzelfde spreken.
Wie een ander evangelie brengt, doorbreekt de eenheid. Hij is degene die de verdeeldheid veroorzaakt (Romeinen 16:17).
Wie zich van zo iemand afscheidt, bewaart de eenheid. Hij gehoorzaamt 2 Korintiërs 6:17.
Zie het als een puzzel. Als er stukjes tussen liggen die niet bij dat plaatje horen, dan klopt het geheel pas als je die stukjes eruit haalt. Door ze eruit te halen verdeel je het plaatje niet; je herstelt het.
Verdeeldheid om personen is wél verboden. Er is een soort verdeeldheid die de Bijbel nadrukkelijk afwijst. In Korinthe zei de een: "Ik ben van Paulus", een ander: "Ik van Apollos", een derde: "Ik van Kefas" (1 Korintiërs 1:12). Paulus reageert: "Is Christus verdeeld? Is Paulus voor u gekruisigd?" (vers 13). En in 1 Korintiërs 3:3-7 noemt hij zulke twisten "vleselijk". Judas 1:16-19 zegt van de scheidingmakers dat ze "zinnelijk" zijn en "de Geest niet hebben": zij vormen groepjes en volgen hun eigen lusten. Het verschil is dus: verdeeldheid vanwege mensen, voorkeuren of eigen meningen is zonde; scheiding vanwege de waarheid van Gods Woord is gehoorzaamheid. Daarom geldt voor ons ook: wie zich afscheidt van een gemeente om een eigen groepje te beginnen met een eigen leer, is de scheidingmaker. Wie leert wat de apostelen leerden, en zich afscheidt van wat daar tegenin gaat, is dat niet.
Eerst God. Daarom hoort ook de eer eerst bij God en niet bij een mens. Paulus en Barnabas scheurden hun kleren toen mensen hen als goden wilden aanbidden (Handelingen 14:11-15), en Petrus zei tegen Cornelius: "Sta op, ik ben zelf ook maar een mens" (Handelingen 10:25-26). Als iemand in de kerkgemeente zijn getuigenis geeft, begint hij dus met de eer aan de Heere Jezus, daarna eert hij de profeten en apostelen die ons het Woord hebben gegeven, en pas daarna de dienaren die het Woord brengen. "Laat dan niemand zich op mensen beroemen" (1 Korintiërs 3:21). Een prediker is als een instrument: hij kan zelf niets, het is God die door hem spreekt. Jezus Christus zei tegen Zijn leerlingen: "Want niet u bent het die spreekt, maar de Geest van uw Vader is het die in u spreekt" (Matteüs 10:20). Zonder Hem kunnen we niets doen (Johannes 15:5).
Kenmerken van valse kerken
Een belangrijke vraag is: hoe herken je een kerk waar de waarheid niet wordt gepredikt? De Bijbel geeft Gods maatstaf. We noemen een aantal kenmerken die veel voorkomen in Nederland en daarbuiten.
Vrouwen die preken
Zoals hierboven staat: 1 Timotheüs 2:11-14 en 1 Korintiërs 14:34-37 verbieden dat een vrouw leert of heerst over de man in de gemeente. Waar vrouwen op de kansel staan, vrouwelijke ouderlingen of diakenen zijn, of waar het hoofd onbedekt blijft, wordt het Woord niet gevolgd.
Het vieren van Kerst
Kerstmis staat nergens in de Bijbel. Jezus Christus zei dat Zijn volgelingen Zijn geboden moeten bewaren (Johannes 14:15), niet dat ze Zijn geboortedag moeten vieren. Ook de apostelen vierden die nooit. In Jeremia 10:2-4 staat: "Leer de weg van de heidenen niet... want de inzettingen van de volken zijn ijdelheid: men houwt een boom uit het bos, ... men siert hem met zilver en goud, men maakt hem vast met hamer en spijkers, zodat hij niet wankelt." Veel gelovigen zien hierin een waarschuwing tegen het versieren van een boom in huis, zoals met de kerstboom gebeurt. Deuteronomium 12:30-32 zegt: "Neem u in acht... vraag niet: Hoe dienden deze volken hun goden? Zo wil ik het ook doen. Zó mag u de HEERE, uw God, niet dienen." Jezus Christus zegt in Marcus 7:7-9: "Tevergeefs vereren zij Mij, terwijl zij leringen onderwijzen die mensengeboden zijn... U verwerpt het gebod van God om uw overlevering te onderhouden."
Een veelgehoord argument is: "We vieren het toch voor Jezus Christus?" Maar dat zei Aäron ook, toen het volk het gouden kalf had gemaakt: "Morgen is het een feest voor de HEERE" (Exodus 32:5). God noemde het afgoderij en het kostte ongeveer drieduizend mensen het leven (Exodus 32:8, 28). En koning Jerobeam maakte een feest "in de maand die hij uit zijn eigen hart had bedacht" (1 Koningen 12:32-33). Bovendien: de herders waren volgens Lucas 2:8 's nachts "in het veld" bij hun kudden. Dat past niet bij een koude decembernacht. Nergens in het Nieuwe Testament vieren de apostelen of de eerste gemeente de geboorte van Jezus Christus.
De leer van de drie-eenheid
Veel kerken leren dat God drie personen is: Vader, Zoon en Heilige Geest. Maar de Bijbel zegt: "Hoor, Israël, de HEERE, onze God, de HEERE is één" (Deuteronomium 6:4). "Ik, Ik ben de HEERE, en behalve Mij is er geen Heiland" (Jesaja 43:11). "Zo zegt de HEERE... Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste, en buiten Mij is er geen God" (Jesaja 44:6). De profeet zegt over het Kind dat geboren wordt: "Zijn naam zal heten: Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst" (Jesaja 9:5). Dus het Kind is de sterke God én de Vader der eeuwigheid. Jezus Christus zegt: "Ik en de Vader zijn één" (Johannes 10:30) en "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien" (Johannes 14:9). In Kolossenzen 2:9 staat: "In Hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk." En: "God is geopenbaard in het vlees" (1 Timotheüs 3:16). Vader, Woord en Geest zijn dus geen drie personen, maar de ene God, die zich op drie manieren heeft laten zien: als Vader in de hemel, als Zoon in het vlees en als Heilige Geest in ons.
Pasen en Pinksteren vieren
God gaf Israël vaste feesten (Leviticus 23), waaronder het Pascha (het Joodse Pesach) en het feest van de weken, dat later Pinksteren werd genoemd. Maar Paulus zegt dat die feesten "een schaduw van de toekomstige dingen" waren, "maar het lichaam is van Christus" (Kolossenzen 2:16-17). Hij berispt de Galaten die "dagen, maanden, tijden en jaren" waren gaan onderhouden: "Ik vrees voor u dat ik misschien tevergeefs aan u gearbeid heb" (Galaten 4:10-11). Het Pascha is vervuld: "Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht" (1 Korintiërs 5:7). Wat Jezus Christus ons wél gaf om Zijn dood te gedenken, is het avondmaal: "Doe dit tot Mijn gedachtenis" (1 Korintiërs 11:24-26). Gebruiken als paaseieren, de paashaas en paasvuren komen niet uit de Schrift en horen dus niet bij het Pascha dat God gaf; "tevergeefs vereren zij Mij, terwijl zij leringen onderwijzen die mensengeboden zijn" (Marcus 7:7). Zie bijvoorbeeld Ezechiël 8:14-16 over de vrouwen die weenden om Tammuz en de mannen die zich naar het oosten buigen voor de zon, en Jeremia 7:18 en 44:17-19 over de "koningin des hemels" waarvoor koeken werden gebakken.
Ook de uitstorting van de Heilige Geest is niet gebonden aan een jaarlijks feest. De Geest viel op Cornelius en zijn huis (Handelingen 10:44-46) en op de discipelen in Efeze (Handelingen 19:6) op een gewone dag, op het moment dat mensen geloofden en gehoorzaamden. Wie de Geest wil ontvangen, hoeft dus niet te wachten tot Pinksteren: "De belofte is voor u en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heere, onze God, tot Zich roepen zal" (Handelingen 2:39).
Scheiden en hertrouwen goedkeuren
Veel kerken zegen een tweede huwelijk in, of ze vinden het "begrijpelijk". De Bijbel is daar niet onduidelijk over. Hierover meer in een eigen onderdeel hieronder.
Een doop die niet volgens de Schrift is
Andere kerken dopen met de woorden "in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest" of besprenkelen met wat water, of dopen baby's. In de Bijbel worden volwassen gelovigen helemaal ondergedompeld, en wel in de naam van Jezus Christus. Hierover verderop meer.
De doop in de naam van Jezus Christus: de naam die kracht heeft
Toen de menigte op de dag van Pinksteren vroeg wat ze moesten doen, antwoordde Petrus: "Bekeer u, en laat u allen dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van de zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen" (Handelingen 2:38). Dat is geen eigen idee van Petrus. Jezus Christus had het opgedragen: "Dat in Zijn naam bekering tot vergeving van zonden gepredikt zou worden onder alle volken" (Lucas 24:47). En in Handelingen werd altijd zo gedoopt: in Samaria "in de naam van de Heere Jezus" (Handelingen 8:16), bij Cornelius "in de naam van de Heere" (Handelingen 10:48), in Efeze "in de naam van de Heere Jezus" (Handelingen 19:5). Kolossenzen 3:17 zegt: "Alles wat u doet in woord of werk, doe het alles in de naam van de Heere Jezus."
En Matteüs 28:19 dan: "doop hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest"? Let op: er staat "naam", enkelvoud, niet "namen". Vader, Zoon en Heilige Geest zijn geen namen, maar titels. Wat is dan de naam? Jezus Christus zei: "Ik ben gekomen in de naam van Mijn Vader" (Johannes 5:43) en de Vader zendt de Heilige Geest "in Mijn naam" (Johannes 14:26). De naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest is dus: Jezus Christus (Matteüs 1:21). "En in geen ander is er behoud, want er is onder de hemel geen andere naam onder de mensen gegeven waardoor wij moeten behouden worden" (Handelingen 4:12).
Jezus Christus zei tegen Zijn discipelen: "Volg Mij, en Ik zal u vissers van mensen maken" (Matteüs 4:19). Het is dus niet de prediker die de mensen vangt, maar God, die zijn eigen Woord als net gebruikt. Een ervaren visser weet waar de vissen zitten. Hij zegt: "Gooi je net daar niet uit, ga naar die plek." Als je dan het net op de plek uitgooit die hij aanwijst, heb je veel. Doe je het op de verkeerde plek, dan vang je niets. Petrus ondervond dat: de hele nacht niets, maar op het woord van Jezus Christus liet hij het net neer en ving hij zoveel dat het net scheurde (Lucas 5:4-7; ook Johannes 21:6). God heeft ons laten zien waar je moet vissen, en dat is met Zijn Woord, in de naam van Jezus Christus. Een doop die niet zo gebeurt, is slechts nat worden.
Stel dat iemand een cheque schrijft en er alleen "zoon" opzet. De bank weigert hem. Hij schrijft "vader" en hij wordt opnieuw geweigerd. "Echtgenoot": geweigerd. Het is allemaal waar: hij is zoon, vader en echtgenoot, maar zolang zijn eigen naam er niet onder staat, heeft de cheque geen kracht. Zo is het ook met de doop. Titels zijn niet genoeg; de naam moet erbij: de naam van Jezus Christus. Pas dan heeft de doop kracht, en worden de zonden afgewassen. Zonder dat is het slechts water: Petrus zegt dat de doop ons redt, niet door "het wegdoen van de vuiligheid van het vlees", maar als "het antwoord van een goed geweten voor God, door de opstanding van Jezus Christus" (1 Petrus 3:21).
Een voorbeeld uit de Bijbel zelf. In Handelingen 19:1-6 kwam Paulus in Efeze twaalf mannen tegen die al gedoopt waren, "met de doop van Johannes". Paulus zei niet: "Dat is ook goed, het gaat om de bedoeling." Hij liet hen opnieuw dopen, nu "in de naam van de Heere Jezus", en daarna ontvingen ze de Heilige Geest en spraken ze in tongen. Dus een eerdere doop, hoe oprecht ook, is ongeldig als hij niet op de bijbelse manier is gebeurd.
Bekering, doop en de Heilige Geest horen bij elkaar
Het pad is volgens de Bijbel altijd hetzelfde: (1) bekering, dus spijt van je zonden en je leven omkeren (Handelingen 3:19; Lucas 13:3), (2) doop door onderdompeling in de naam van Jezus Christus, tot vergeving van zonden (Handelingen 2:38; 22:16; Romeinen 6:3-4; Kolossenzen 2:12), (3) ontvangen van de Heilige Geest, met als bewijs het spreken in tongen (Handelingen 2:4; 10:44-46; 19:6). Jezus Christus zei het zelf: "Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan" (Johannes 3:5). Water is de doop, Geest is de Heilige Geest. Wie dat niet heeft, is niet opnieuw geboren, hoeveel functies of titels hij ook heeft. "Wat baat het een mens als hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?" (Matteüs 16:26).
Spreken in tongen
Wie zegt dat niet iedereen in tongen spreekt, wijst op 1 Korintiërs 12:30: "Spreken allen in tongen?" Maar Jezus Christus zegt in Marcus 16:17: "Deze tekenen zullen hen volgen die geloven: ... zij zullen met nieuwe tongen spreken." Dit zijn tekenen bij gelovigen. Dus iedereen die gelooft, spreekt in tongen. Is dat een tegenspraak met 1 Korintiërs 12? Nee: in 1 Korintiërs 12 en 14 gaat het over de gave van talen in de gemeente, die gebruikt wordt met uitleg, voor de opbouw van anderen (14:27-28). Dat is niet iedereen gegeven. Maar het teken van de doop met de Heilige Geest, het spreken in tongen, is voor iedereen die gelooft. Paulus zegt zelf: "Ik wil dat u allen in tongen spreekt" (1 Korintiërs 14:5), "en verhinder het spreken in tongen niet" (14:39). Wie zegt: "Ik geloof niet in tongen", mag zich afvragen of dat niet de reden is waarom hij ze niet heeft. Wie echt gelooft, gaat op zijn knieën en blijft zoeken tot hij vervuld wordt. Kreeg je hem maandag niet, dan kom je dinsdag terug, en woensdag weer, zoals de discipelen "eensgezind volhardden in het gebed" (Handelingen 1:14) en op de belofte wachtten (Lucas 24:49). Jezus Christus leert dat aanhouden beloond wordt (Lucas 11:8-10): "Hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan wie Hem erom bidden!" (Lucas 11:13).
Let op ook de woorden van Paulus in 1 Korintiërs 12:29: "Zijn allen apostelen? Zijn allen profeten? Zijn allen leraars?" Het antwoord is nee. Net zoals niet iedereen apostel is, heeft niet iedereen de gave van talen in de gemeente. Maar dat is een andere zaak dan het teken van de Geestesdoop.
Hertrouwen: wat de Bijbel zegt en wat bekering inhoudt
Dit is een onderwerp waar veel pijn zit, en daarom willen we er eerlijk en zorgvuldig over schrijven. We oordelen niet over mensen, we lezen wat er staat.
Wat de Bijbel zegt
Jezus Christus zei: "Ik zeg u: Wie zijn vrouw wegstuurt, behalve vanwege hoererij, en een andere trouwt, pleegt overspel; en wie een weggestuurde vrouw trouwt, pleegt overspel" (Matteüs 19:9). In Marcus 10:11-12 zegt Hij het zonder uitzondering voor man én vrouw: "Wie zijn vrouw wegstuurt en een andere trouwt, pleegt overspel tegen haar. En als een vrouw haar man wegstuurt en met een ander trouwt, pleegt zij overspel." In Lucas 16:18: "Ieder die zijn vrouw wegstuurt en een andere trouwt, pleegt overspel, en ieder die een door haar man weggestuurde vrouw trouwt, pleegt overspel."
Paulus zegt hetzelfde: "Een gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan haar man zolang hij leeft; maar als haar man gestorven is, is zij vrij van de wet van de man... Zij zal een overspelige genoemd worden als zij, terwijl haar man leeft, bij een andere man is" (Romeinen 7:2-3). En in 1 Korintiërs 7:10-11: "Een vrouw moet zich niet scheiden van haar man. En als zij zich toch gescheiden heeft, laat zij dan ongehuwd blijven of met haar man verzoend worden. En een man moet zijn vrouw niet verlaten." Verder in vers 39: "Een vrouw is gebonden zolang haar man leeft." God zelf zegt: "Ik haat het wegsturen" (Maleachi 2:16). Het huwelijk is een verbond voor het leven, en alleen de dood maakt het einde.
De woorden "behalve vanwege hoererij" in Matteüs 19:9 gaan over het wegsturen van een ontrouwe partner. Ze geven geen recht om daarna met een ander te trouwen zolang de eerste partner leeft: dat blijft volgens Romeinen 7:2-3 en 1 Korintiërs 7:11, 39 overspel. Het maakt dus niet uit of een tweede huwelijk later in een kerk is gezegend of dat de wet van het land het toestaat. Het gaat erom wat God zegt: "Het huwelijk zij eerlijk bij allen, en het bed onbevlekt; want hoereerders en overspelers zal God oordelen" (Hebreeën 13:4). Jezus Christus bevestigt dat in Johannes 4:16-18 tegen de vrouw bij de put: "Gij hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt, is uw man niet." Hij zegt niet: "Het is al zo lang, dus het is goed." Hij noemt de zaak bij de naam. Ook Johannes de Doper zei tegen koning Herodes: "Het is u niet geoorloofd haar te hebben" (Matteüs 14:3-4), en dat kostte hem zijn leven.
Wat betekent bekering dan?
Wie zich bekeert, moet "vruchten voortbrengen die de bekering waardig zijn" (Lucas 3:8). Johannes de Doper legde dat uit: wie twee hemden heeft, moet er één delen; de tollenaars moesten niet méér vragen dan hun toekwam (Lucas 3:10-14). Zacchaeus gaf de helft van zijn bezit aan de armen en gaf viervoudig terug aan wie hij had bedrogen (Lucas 19:8), en Jezus Christus zei: "Heden is aan dit huis behoud geschied." Bekeren is dus niet alleen "het spijt me", het is veranderen. En in Handelingen 19:18-19 verbrandden de mensen die tot geloof kwamen hun toverboeken, ter waarde van vijftigduizend zilverstukken, omdat ze zich wilden losmaken van wat niet bij God hoorde.
Bij een huwelijk dat God niet erkent betekent dat: je kunt niet voortleven in iets wat God overspel noemt en tegelijk zeggen dat je je bekeerd hebt. Paulus zegt in 1 Korintiërs 6:9-11 over overspelers: "En sommigen van u zijn dat geweest; maar u bent afgewassen." Dat is verleden tijd: zijn geweest. Romeinen 6:1-2: "Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade overvloediger zij? Volstrekt niet!" Jezus Christus zegt: "Als uw rechterhand u doet struikelen, houw haar af en werp haar van u; want het is beter voor u dat een van uw leden verloren gaat, dan dat uw hele lichaam in de hel geworpen wordt" (Matteüs 5:29-30). Dat is hard, maar het gaat om je ziel.
Er zijn in de Bijbel ook voorbeelden van mensen die dit deden. Toen Israël terugkeerde uit Babel en zich bekeerde van gemengde huwelijken die tegen Gods gebod waren, zei Ezra: "Laten wij nu een verbond sluiten met onze God om al deze vrouwen... weg te doen" (Ezra 10:3), en zij deden het (vers 44). Dat was pijnlijk, maar het was gehoorzaamheid en het bracht Gods gunst terug.
Wat blijft er dan over voor wie een tweede huwelijk aanging en zich nu bekeert? Volgens 1 Korintiërs 7:11 is er maar één weg: ongehuwd blijven, of zich verzoenen met de eerste partner (indien die er nog is en vrij is). Wie een huwelijk beëindigt dat God niet erkent, begint opnieuw: gereinigd door het bloed van Jezus Christus en gedoopt in Zijn naam. (Let op: Deuteronomium 24:1-4 laat zien dat terugkeer naar een eerdere partner niet altijd mogelijk is, bijvoorbeeld als die intussen een ander huwelijk is aangegaan; ongehuwd blijven is dan de weg.) "Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het is nieuw geworden" (2 Korintiërs 5:17).
Wat dit niet betekent
Dit betekent niet dat we mensen mogen afwijzen, verachten of de rug toekeren. Jezus Christus zei tegen de vrouw die op overspel was betrapt: "Ga heen en zondig niet meer" (Johannes 8:11), Hij vergaf haar en riep haar tegelijk op haar leven te veranderen. De waarheid vraagt dus om liefde: "de waarheid betrachtend in liefde" (Efeziërs 4:15). Als er kinderen zijn, blijft de zorg en verantwoordelijkheid voor hen in stand: "Als iemand niet zorgt voor de zijnen, en vooral voor zijn huisgenoten, dan heeft hij het geloof verloochend en is hij erger dan een ongelovige" (1 Timotheüs 5:8). Een mens die zich bekeert hoeft zijn gezin dus niet in de steek te laten, maar hij moet de relatie op de manier die God wil, ordenen: door gescheiden te leven en toch voor de kinderen en voor elkaars welzijn te blijven zorgen. Zo'n stap neem je niet overhaast. "Waar geen raad is, mislukken de plannen; maar door veel raadgevers komt het tot stand" (Spreuken 15:22). Bespreek het met de oudsten en bid er veel over. Ook Nederlandse wetten, zoals het burgerlijk huwelijk en de zorg voor kinderen en de alimentatieplicht, moeten zorgvuldig worden nagekomen: "Wees onderdanig aan de overheid" (Romeinen 13:1), voor zover dat niet in strijd is met Gods gebod (Handelingen 5:29).
Leiders die niet te koop zijn
Een kerk blijft alleen zuiver als haar leiders zuiver blijven. Daarom let de Bijbel op drie dingen:
Ze zijn niet te koop. "Een bisschop moet onberispelijk zijn... niet op winst belust" (Titus 1:7). Paulus waarschuwt voor mensen die "godsvrucht als een middel tot winst zien" (1 Timotheüs 6:5), en Petrus sprak tot Simon, die geld bood voor de gave van God: "Uw geld ga met u ten verderve, omdat u gedacht hebt dat de gave van God met geld te verkrijgen is" (Handelingen 8:20). Een leider laat zich dus niet omkopen. Stel dat iemand hem een dure nieuwe auto aanbiedt om zijn standpunt te veranderen; dan zou hij die auto verkopen en er iets goeds mee doen. Of als een andere gemeente haar gebouw aan hem geeft, dan wordt hij daarvoor niet gebonden: "Wij zijn voor hen geen ogenblik door onderworpenheid geweken, opdat de waarheid van het evangelie bij u zou blijven" (Galaten 2:5). Hij is God verplicht, niet de mens.
Ze laten zich niet vleien. Soms probeert iemand een leider te vleien: "U bent een koning, God heeft u groot gemaakt." Maar Jezus Christus zei: "Wie de grootste onder u is, moet uw dienaar zijn" (Matteüs 23:11). Wanneer koning Herodes zich liet toejuichen als een god, sloeg de engel van de Heere hem, en hij stierf, door wormen gegeten (Handelingen 12:21-23). "Een man die zijn naaste vleit, spreidt een net voor zijn voeten" (Spreuken 29:5). Er is maar één Koning: Jezus Christus (1 Timotheüs 6:15). Een leider is een dienaar.
Ze geven het Woord door aan trouwe mannen. "En wat u van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan trouwe mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderwijzen" (2 Timotheüs 2:2). Let op: er staat niet "aan predikers", maar aan trouwe mannen. Een gewone broeder die de leer goed kent, die de heiligheid in zijn leven laat zien en betrouwbaar is met de Schrift, kan worden gezonden om anderen te bemoedigen. Zo bewaart God de zuiverheid van de leer, zonder grote organisaties met commissies en afdelingen.
Wie afwijkt, wordt teruggeroepen of weggehaald. Een gemeente mag niet toelaten dat een prediker iets anders leert. Paulus schrijft aan Titus dat een opziener "de getrouwe leer moet vasthouden... om ook de tegensprekers te overtuigen", en dat "hun de mond gestopt moet worden, die hele huizen omkeren door te leren wat niet betaamt, om slechte winst" (Titus 1:9-11). En aan Timotheüs: "Gebied sommigen geen andere leer te leren" (1 Timotheüs 1:3). Een gemeente die aan haar eigen leiders niets mag vragen, gaat verloren. Dat is geen tirannie. Het is zorg voor de schapen. Dat een gemeente voor haar leiders gaat staan en zegt: "Wie niet bij de leer blijft, kan hier niet voorgaan", is dus Bijbels. Wie dat niet wil, kan zijn eigen weg gaan, maar mag de gemeente niet meenemen.
Een gemeente die zo zuiver wil blijven, hoeft ook niet zijn leer te laten sturen door de kerken om zich heen: "En zij volhardden in de leer van de apostelen" (Handelingen 2:42), "want een ander fundament kan niemand leggen dan het fundament dat gelegd is, namelijk Jezus Christus" (1 Korintiërs 3:11). Wij hoeven niet op andere organisaties te lijken.
Open en eerlijk, niet achter iemands rug. Als iemand denkt dat er iets niet klopt in de leer, dan zegt hij dat openlijk met de Bijbel in de hand, en niet in kleine kringetjes achter de rug van de leiding. Jezus Christus zegt in Matteüs 18:15: "Als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en wijs hem terecht, tussen u en hem alleen." Paulus sprak Petrus in het openbaar tegen "toen ik zag dat zij niet rechtlijnig wandelden naar de waarheid van het evangelie" (Galaten 2:11-14). En toen er in Antiochië een meningsverschil was, ging men gezamenlijk naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem en toetste men alles aan de Schrift (Handelingen 15:1-21).
Veelgehoorde excuses, en wat de Bijbel erop zegt
Wie met deze waarheid komt, krijgt vaak dezelfde reacties te horen. Hieronder zetten we de bekendste op een rij met het Bijbelse antwoord.
"Dat zijn maar kleine verschillen."
Maar God zegt: "Iemand die een enkel gebod overtreedt, is schuldig aan alles" (Jakobus 2:10), en "een beetje zuurdesem maakt het hele deeg zuur" (Galaten 5:9). Jezus Christus zegt: "Wie een van de kleinste geboden losmaakt en de mensen zo leert, zal de kleinste genoemd worden in het koninkrijk der hemelen" (Matteüs 5:19). Bij God is niets een detail.
"God kijkt toch naar het hart?"
Jazeker, maar het hart kan zich vergissen: "Het hart is arglistiger dan alles, en dodelijk ziek; wie kan het kennen?" (Jeremia 17:9). Jezus Christus zegt: "Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft" (Johannes 14:21). Een goed hart toont zich in gehoorzaamheid.
"Alle wegen leiden naar God."
Jezus Christus zei: "Ik ben de weg... niemand komt tot de Vader dan door Mij" (Johannes 14:6), en Petrus: "In geen ander is er behoud" (Handelingen 4:12). Jesaja 35:8 spreekt van één weg.
"Oordeel niet!"
Dat is Matteüs 7:1, maar lees verder: in vers 15-20 zegt Jezus Christus: "Wees op uw hoede voor de valse profeten... aan hun vruchten zult u hen herkennen." Johannes 7:24: "Oordeel niet naar het uiterlijk, maar oordeel een rechtvaardig oordeel." En 1 Johannes 4:1: "Beproef de geesten." Oordelen in de zin van veroordelen en verdoemen is aan God. Beproeven en toetsen aan het Woord is onze opdracht (1 Korintiërs 5:12; 1 Tessalonicenzen 5:21).
"Jezus Christus at toch ook met zondaars?"
Ja, om hen tot bekering te roepen: "Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering" (Marcus 2:17). Maar Hij liet hen niet in hun zonde. En in de gemeente geldt: "Als iemand die broeder genoemd wordt, een hoereerder is... met zo iemand zelfs niet te eten" (1 Korintiërs 5:11). Een zondaar aanspreken en uitnodigen is iets anders dan een persoon die de leer verdraait en onberouwvol blijft, binnen de gemeente te dulden.
"Het is traditie, we zijn er mee opgegroeid, mijn ouders deden het ook."
Jezus Christus zei: "Door uw overlevering maakt u het Woord van God krachteloos" (Marcus 7:13). God zegt via Ezechiël: "Wandel niet in de inzettingen van uw vaderen... maar wandel in Mijn inzettingen" (Ezechiël 20:18-19). En: "Wie vader of moeder meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waardig" (Matteüs 10:37).
"Zoveel mensen kunnen toch niet fout zitten? Mijn kerk is groot."
"Ga in door de nauwe poort; want wijd is de poort en breed de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor ingaan" (Matteüs 7:13). Jezus Christus zegt: "Wees niet bevreesd, klein kuddeke" (Lucas 12:32). En: "Volg niet de meerderheid om kwaad te doen" (Exodus 23:2). In de dagen van Noach waren er maar acht gered (1 Petrus 3:20).
"Mijn kerk doet zoveel goeds voor de samenleving."
Goede werken zijn mooi, maar redden niet: "Velen zullen tot Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw naam... krachten gedaan? ... Ik heb u nooit gekend" (Matteüs 7:22-23). Efeziërs 2:8-9 zegt dat we gered worden uit genade, door geloof, en dat geloof is gehoorzaamheid (Romeinen 1:5; Hebreeën 5:9).
"Het draait toch om liefde, niet om regels?"
Jezus Christus zei: "Als u Mij liefhebt, bewaar Mijn geboden" (Johannes 14:15). En Johannes: "Want dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden bewaren" (1 Johannes 5:3). Wie zegt: "Ik ken Hem", maar Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar (1 Johannes 2:4).
"We moeten tolerant zijn en samenwerken."
Paulus zegt: "Als ik nog mensen zou behagen, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn" (Galaten 1:10). En: "Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis?" (2 Korintiërs 6:14).
"Geen enkele kerk is perfect."
Dat klopt voor mensen: "Allen hebben gezondigd" (Romeinen 3:23). Maar de leer is niet onvolmaakt: "De wet van de HEERE is volkomen" (Psalm 19:8). We zoeken geen volmaakte mensen, we zoeken een gemeente die de volmaakte leer van de apostelen houdt. Christus wil een gemeente "zonder vlek of rimpel" (Efeziërs 5:27).
"Het was cultuur in die tijd. Vrouwen mogen nu toch ook preken?"
Paulus beroept zich niet op de cultuur van zijn tijd, maar op de schepping (1 Timotheüs 2:13-14) en noemt wat hij schrijft "geboden van de Heere" (1 Korintiërs 14:37). God verandert niet: "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde, en tot in eeuwigheid" (Hebreeën 13:8), en "Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen nooit voorbijgaan" (Matteüs 24:35).
"Maar de Bijbel noemt toch ook vrouwen als Debora, Priscilla en Febe?"
Debora was een profetes en rechter in een tijd waarin de mannen in Israël faalden. Zij zei zelf tegen Barak dat de eer niet de zijne zou zijn omdat hij niet alleen wilde gaan (Richteren 4:4-9). Priscilla en Aquila namen Apollos samen apart (dus in huis, niet in de gemeente) en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit (Handelingen 18:26). Febe wordt "dienares" genoemd (Romeinen 16:1); dat woord betekent helper of dienstbare, en daar is de dienst aan de heiligen bedoeld, geen ambt met gezag over de man (vergelijk de vereisten voor diakenen in 1 Timotheüs 3:8-12: "mannen van één vrouw", vers 12). Ook Filippus' dochters die profeteerden (Handelingen 21:9) is geen bewijs: profeteren is iets anders dan het leren en leiding hebben over de man in de gemeente, waar 1 Timotheüs 2:12 het over heeft. Vrouwen hebben in Gods plan wel degelijk een kostbare plaats: ze mogen de jonge vrouwen leren (Titus 2:3-5), voor anderen zorgen (1 Timotheüs 5:9-10) en getuigen van Jezus Christus, zoals de vrouw bij de put deed (Johannes 4:28-30).
"Ik wist niet dat hertrouwen niet mocht."
"God... gebiedt nu de mensen dat zij allen overal zich bekeren, de tijden van onwetendheid door de vingers ziende" (Handelingen 17:30). Wat je niet wist, wist je niet; maar nu je het weet, moet je het doen. "Die knecht die de wil van zijn heer weet en zich niet heeft voorbereid, zal veel slagen ontvangen. Maar wie het niet wist, en dingen gedaan heeft die slagen waard zijn, zal weinig slagen ontvangen" (Lucas 12:47-48).
"Moses stond het scheiden toch toe?"
Jezus Christus antwoordt: "Mozes heeft u om de hardheid van uw hart toegestaan uw vrouwen weg te sturen; maar van het begin af is het zo niet geweest" (Matteüs 19:8). Jezus Christus gaat terug naar het begin (Genesis 2:24), niet naar wat toegelaten werd.
"Paulus zegt toch dat een broeder of zuster niet gebonden is als de ongelovige weggaat (1 Korintiërs 7:15)?"
Dat gaat over de ongelovige die zélf vertrekt: wie achterblijft hoeft hem niet tegen te houden. Maar het gaat niet over opnieuw trouwen: dat zegt Paulus twee verzen eerder uitdrukkelijk: "laat zij ongehuwd blijven of met haar man verzoend worden" (vers 11), en in vers 39: "gebonden zolang haar man leeft". De Bijbel spreekt zichzelf dus niet tegen.
"We zijn niet meer onder de wet, maar onder de genade."
Paulus antwoordt: "Wat dan? Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet zijn, maar onder de genade? Volstrekt niet!" (Romeinen 6:15). Titus 2:11-12: "De genade van God... leert ons dat wij de goddeloosheid en de wereldse begeerten moeten verloochenen en bezonnen, rechtvaardig en godvrezend leven in deze tegenwoordige wereld."
"Dit scheidt families en vriendschappen!"
Jezus Christus zegt: "De vijanden van de mens zullen zijn eigen huisgenoten zijn" (Matteüs 10:36), en: "Wie vader of moeder meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waardig" (Matteüs 10:37). Een mens die de waarheid kiest, betaalt soms een prijs. Maar Jezus Christus belooft dat wie huizen, broers, zusters of ouders heeft verlaten om Zijn naam, honderdvoudig zal ontvangen en het eeuwige leven zal beërven (Matteüs 19:29).
"Het is toch maar een gezellige familiedag, die kerstdiner met de familie?"
Je hoeft niemand te veroordelen of weg te blijven uit liefde voor je familie. Maar het blijft een gewoonte met een afgodische oorsprong. Daniël en zijn vrienden liepen niet mee met het gebruik van het koninklijk hof, maar vroegen er respectvol vrijstelling voor (Daniël 1:8-13). "Wees jegens iedereen vriendelijk" (Titus 3:2), maar "neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis" (Efeziërs 5:11).
"Met kerst komt iedereen naar de kerk, dan kunnen we het evangelie delen."
Paulus noemt die redenering ongeldig: "Laten wij het kwade doen, opdat het goede komt? Hun veroordeling is rechtvaardig" (Romeinen 3:8). We verkondigen het evangelie elke dag, niet via een feest dat God niet heeft ingesteld (Handelingen 5:42; 2 Timotheüs 4:2).
"Ik ben al zo lang getrouwd en God heeft ons gezegend. Dat kan dus niet fout zijn."
Een zegen is geen bewijs van Gods goedkeuring: God laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden (Matteüs 5:45). Zijn goedheid is bedoeld "om u tot bekering te leiden" (Romeinen 2:4), niet als bevestiging dat het goed is.
"Ik voel me gelukkig en dus is het goed."
"Er is een weg die iemand recht lijkt, maar het einde ervan zijn wegen des doods" (Spreuken 14:12). Het gaat niet om gevoel, maar om wat geschreven staat: "Wie op zijn eigen hart vertrouwt, is een dwaas" (Spreuken 28:26).
"God kent mijn situatie, Hij begrijpt dat ik niet anders kon."
God is genadig en weet wat we nodig hebben (Psalm 103:13-14). Maar Hij vraagt gehoorzaamheid: "Wie zijn zonden belijdt en nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen" (Spreuken 28:13). Jezus Christus zei: "Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en Mij volgen" (Matteüs 16:24). Een kruis is niet gemakkelijk, maar Hij geeft kracht: "Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft" (Filippenzen 4:13).
Hoe passen we dit toe in Nederland?
Nederland is een land van vrijheid van godsdienst. Dat is een groot voorrecht en we mogen er dankbaar voor zijn. Artikel 6 van de Grondwet geeft ieder het recht zijn geloof te belijden. Daarom hoeven we niet in te leveren: we mogen leren wat de Bijbel zegt, een gemeente vormen en de doop toepassen zoals het Woord zegt. Tegelijk is het belangrijk dat we dat doen in een Bijbelse houding: "Heb uw vijanden lief en bid voor hen die u vervolgen" (Matteüs 5:44), "wees altijd bereid tot verantwoording aan ieder die u rekenschap vraagt van de hoop die in u is, maar met zachtmoedigheid en ontzag" (1 Petrus 3:15), en "een dienstknecht van de Heere moet niet twisten, maar vriendelijk zijn voor allen... en met zachtmoedigheid hen terechtwijzen die tegenstribbelen" (2 Timotheüs 2:24-25). Zonder liefde is de scherpste waarheid niets waard (1 Korintiërs 13:1-2).
Feestdagen en werk. In Nederland zijn Eerste en Tweede Kerstdag, Goede Vrijdag, Eerste en Tweede Paasdag en Pinksteren vrije dagen en veel werkgevers vragen medewerkers deel te nemen aan kerstborrels of -diners. Je kunt vriendelijk en eerlijk uitleggen waarom je niet meedoet, zoals Daniël dat deed (Daniël 1:8-13; 6:10), terwijl je gewoon trouw blijft werken: "Wees onderdanig... aan uw meesters" (1 Petrus 2:18), en "laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader die in de hemel is, verheerlijken" (Matteüs 5:16). Een vrije dag nemen mag, het feest meevieren niet.
Het gesprek in de buurt, op school en op het werk. Nederlanders houden van openheid. Praat dus rustig, met de Bijbel erbij en zonder te schreeuwen: "Laat uw woord altijd vriendelijk zijn, met zout besprenkeld" (Kolossenzen 4:6). Als iemand niet luistert: "Schud het stof van uw voeten" (Matteüs 10:14) en blijf bidden. Veel mensen zijn moe van leugens, van kerken die hun woorden aanpassen aan wat de maatschappij wil, en zoeken juist naar duidelijkheid.
Huwelijk en gezin. In Nederland is een burgerlijk huwelijk bij de gemeente verplicht, en echtscheiding wordt bij de rechter geregeld. Wie zich bekeert en een tweede huwelijk heeft, moet dus niet alleen met de gemeente, maar ook met het recht rekening houden: gezag, omgang met kinderen, onderhoud, woning en inkomen. Dat doe je rustig en eerlijk: "Laat alles eerlijk en ordelijk geschieden" (1 Korintiërs 14:40). Een kerkgemeente staat daarin naast je met raad, gebed en hulp: "Draagt elkanders lasten, en vervult zo de wet van Christus" (Galaten 6:2).
Opvoeding. Ouders in Nederland hebben de taak hun kinderen Gods Woord te leren: "Scherp ze uw kinderen in" (Deuteronomium 6:6-7) en "voed ze op in de tucht en vermaning van de Heere" (Efeziërs 6:4). Dat betekent dat we thuis uitleggen waarom we sommige dingen niet doen. Kinderen hebben het recht om de waarheid te horen van hun ouders, niet alleen van de maatschappij.
Een uitnodiging
Wat is de samenvatting van alles hierboven? God is één. Zijn gemeente is één. Zijn weg is één. Zijn Woord is één. En Hij vraagt van Zijn volk: wees één in de waarheid, en ga uit van alles wat daartegen ingaat. Dat is geen verdeeldheid zaaien, het is gehoorzaamheid. Eenheid zonder waarheid is geen eenheid, het is een vermenging waar God niet in woont.
Ben je moe van kerken die tegen elkaar in preken? Zoek je een gemeente waar alles wat er gezegd wordt, met de Bijbel wordt bewezen? Dan nodigen wij je uit. Bij ons, in De Waarheid Gods, staat de Bijbel centraal: wat geschreven staat, houden wij. Wij vragen je niets te geloven wat je niet zelf kunt nalezen. "Beproef alle dingen; behoud het goede" (1 Tessalonicenzen 5:21). Het advies van Petrus dat vandaag nog even waar is als op de eerste dag: "Bekeer u, en laat u allen dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van de zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen" (Handelingen 2:38).
"Daarom, ga uit het midden van hen, en scheid u af, zegt de Heere... en Ik zal u aannemen" (2 Korintiërs 6:17).

Opmerkingen