Het Avondmaal van de Heere Jezus: Doe het zoals er geschreven staat.
Een Bijbelse uitleg over het herdenken van het Avondmaal, van het tijdstip tot de beker
In bijna elke kerk wordt het Avondmaal gehouden. De ene kerkgemeente doet het op zondagochtend, de andere één keer per kwartaal, en weer een andere deelt een dienblad vol kleine bekertjes en voorgesneden stukjes brood rond. Iedereen is ervan overtuigd dat zijn eigen manier de goede is. Maar wie heeft er eigenlijk gelijk? De mening van een voorganger telt niet, de gewoonte van een kerkgenootschap telt niet en het aantal mensen dat het zo doet telt ook niet. Er is maar één vraag die telt: wat staat er geschreven?
In deze Bijbelstudie lopen we het Avondmaal stap voor stap door. We kijken naar het tijdstip, naar het brood, naar de beker, naar de gevolgen van verkeerd deelnemen en naar de vraag wie het Avondmaal mag leiden. Alles wat we zeggen, leggen we naast de Schrift. Wat daar niet mee overeenkomt, leggen we weg, hoe oud, hoe mooi of hoe gewoon het ook is.
We doen dat niet om iemand te kwetsen. We doen het omdat het Avondmaal geen gezellig gebruik is, maar een heilige zaak die de Heere zelf heeft ingesteld. Wie Hem liefheeft, wil het precies zo doen als Hij het heeft gegeven.
Is dit de gemeente die Jezus Christus heeft gebouwd?
Jezus Christus zei:
“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” (Matteüs 16:18)
Let op de woorden “Mijn gemeente”. De gemeente is niet van mensen, ze is van Christus. Hij bouwt haar, op Zijn manier en met Zijn leer. Let ook op wat er níet staat. Er staat niet dat de hel de gemeente nooit zal aanvallen. Er staat dat de hel haar niet zal overweldigen, dus niet zal winnen. De ware gemeente krijgt altijd te maken met tegenstand en met valse leer die probeert binnen te komen, maar ze wordt niet overwonnen.
Daarom is het goed om je eigen kerkgemeente te onderzoeken, een soort controle. Een inspecteur let niet op goede bedoelingen of mooie verhalen. Hij kijkt of alles volgens het reglement gaat. Wie in de gemeente iets invoert wat tegen het Boek van de wet ingaat, overtreedt de regels, hoe vroom hij ook is. En wat is dan de regel? De Schrift zegt:
“Doch, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen.” (Filippenzen 3:16)
Het gaat om één regel voor allen. Er staat niet: ieder wandelt zoals hij het zelf het beste vindt, of: wandel naar de mening van een bepaalde leraar. God heeft die regel al lang vastgelegd:
“Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.” (Deuteronomium 4:2)
Dit staat er niet één keer. Mozes herhaalt het (Deuteronomium 12:32), Salomo zegt het (Spreuken 30:5-6: “Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt”) en het laatste hoofdstuk van de Bijbel sluit ermee af:
“En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.” (Openbaring 22:19)
Denk aan het rijexamen. Het is niet genoeg dat je ongeveer goed rijdt. Raak je een pion, dan ben je gezakt. Zo werkt het ook met de leer van een kerkgemeente. Alles moet kloppen met de Schrift: de start, de manoeuvres, het inparkeren, het achteruitsteken en het uitstappen. Je mag geen pion raken. Een leer die ergens afwijkt van de Schrift, is niet “bijna goed”. Ze is gewoon niet goed.
In Nederland zeggen we graag: “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.” We zijn ook gewend aan het poldermodel: als twee kanten het oneens zijn, zoeken we het midden. Dat werkt in een vergaderzaal, maar niet bij het Woord van God. Daar is geen midden tussen wat God gebiedt en wat mensen bedenken. “Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods” (Spreuken 14:12). Een weg kan oprecht voelen en toch de verkeerde zijn.
Eerst de Bron: "Ik heb van den Heere Jezus ontvangen"
Als Paulus over het Avondmaal begint, noemt hij eerst waar hij het vandaan heeft:
“Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam.” (1 Korinthe 11:23)
Paulus bedenkt het niet zelf, hij neemt het niet over van de mensen om hem heen, hij heeft het van de Heere Jezus ontvangen en geeft het onveranderd door. Je kunt hem er dus niets van verwijten. Wil je boos worden, wees dan boos op de Heere Jezus zelf.
Dit is meteen een toets voor elke leraar. Er zijn voorgangers die zeggen: “De Heere Jezus heeft mij gezegd dat het zo moet.” Het maakt niet uit hoe indrukwekkend iemand overkomt. Hij kan springen en dansen en een gewaad dragen dat de hele zaal vult. Het gaat erom wat er uit zijn mond komt. Spreekt hij iets wat de Schrift tegenspreekt, dan heeft de Heere Jezus het niet gezegd. Jesaja zegt:
“Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben.” (Jesaja 8:20)
En Paulus gaat nog verder:
“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8)
Zelfs een engel moet zich aan het Woord houden. Hoeveel te meer een mens. Jezus Christus waarschuwt ook:
“Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.” (Matteüs 7:15)
Valse leraren herken je dus niet aan hun uiterlijk. Ze komen in schaapskleren. Ze kunnen vriendelijk, bevlogen en geloofwaardig zijn. De slang in de hof begon ook niet met een openlijke ontkenning, maar met een vraag: “Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?” (Genesis 3:1). Zo begint het vaak: met twijfel aan wat God precies heeft gezegd. Daarna volgt de verandering, en dan de zonde.
Dit brengt ons bij een ernstige conclusie, die we niet zachter maken dan de Schrift zelf is. Wat afwijkt van wat er geschreven staat, komt niet van Christus. De Schrift zegt:
“Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus. En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts. Zo is het dan niets groots, indien ook zijn dienaars zich veranderen, als waren zij dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hun werken.”
(2 Korinthe 11:13-15)
Een kerk kan er dus heel godsdienstig uitzien, mooie liederen zingen en veel over Jezus Christus praten, en toch niet bouwen aan de gemeente van Christus. Wie volhardt in wat tegen de Schrift ingaat, zit niet in de gemeente van Christus. Hij zit in een kerk waar, bewust of onbewust, het werk van de tegenstander wordt gedaan. Over personen oordelen we niet, dat laten we aan God. Maar de maatstaf is Zijn Woord, en daar moeten we eerlijk naar durven kijken.
"In den nacht": Het tijdstip van het Avondmaal
Lees het vers hierboven nog eens: de Heere Jezus nam het brood “in den nacht, in welken Hij verraden werd”. Het Avondmaal werd dus ingesteld in de nacht, op de avond van het Pascha. De evangelisten zeggen hetzelfde:
“En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven.” (Matteüs 26:20)
“En als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.” (Markus 14:17)
En als Judas na het brood weggaat om Jezus Christus te verraden, schrijft Johannes erbij:
“Hij dan, de bete genomen hebbende, ging terstond uit. En het was nacht.”
(Johannes 13:30)
Wie nu zegt: “Wat maakt het uit of we het ’s ochtends of ’s avonds doen?”, vergeet dat de Heere Jezus dit tijdstip zelf heeft genoemd. Wat er in de Schrift staat, staat er niet voor niets:
“Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden.” (Romeinen 15:4)
Alles wat geschreven is, is tot onze lering geschreven, dus ook het uur. Wie zegt dat het tijdstip er niet toe doet, zegt eigenlijk dat een deel van de Schrift overbodig is. Dat is net zoiets als het volgende. Je brengt je auto naar de garage. Als je hem terugkrijgt, geeft de monteur je een zakje met een handvol schroeven en moeren en zegt: “Die had je niet nodig.” Zou je dat accepteren? Als die schroeven bij je auto hoorden, dan horen ze weer in je auto. Zo is het ook als iemand komt vertellen dat we iets uit de Schrift niet hoeven te doen, terwijl het er gewoon staat. Het staat er. Dan hoort het erin.
Een Nederlands voorbeeld: je koopt een kast bij een meubelwinkel, bouwt hem op en houdt een handvol schroefjes over. Je zou je meteen afvragen wat er mis is gegaan. De kast kan nog een tijd blijven staan, maar hij is niet goed in elkaar gezet en zal op een dag omvallen. Een treinkaartje dat “bijna” geldig is, helpt je ook niet bij de controleur. Zo is het met het Avondmaal: een Avondmaal dat “bijna” klopt, is niet het Avondmaal van de Heere Jezus.
Het tijdstip is ook niet los te zien van het Pascha, waar het Avondmaal uit voortkomt. Het paaslam werd geslacht “tussen twee avonden” en “in denzelfden nacht” gegeten, met ongezuurde broden (Exodus 12:6 en 8). Paulus noemt Christus ons Pascha: “Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus” (1 Korinthe 5:7). Het lam werd 's avonds gegeten, dus ook het Avondmaal hoort bij de avond.
Zelfs de naam wijst erop. Paulus schrijft: “Als gij dan bijeen samenkomt, dat is niet des Heeren avondmaal eten” (1 Korinthe 11:20), en Lukas schrijft dat de Heere Jezus de beker nam “na het avondmaal” (Lukas 22:20). Het woord Avondmaal betekent letterlijk: een maaltijd in de avond.
Dan de vraag die vaak wordt gesteld: “Maar de eerste christenen kwamen toch op de eerste dag van de week bijeen om brood te breken?” Dat klopt, en dat is geen tegenstrijdigheid. In Handelingen 20:7 komen de leerlingen op de eerste dag van de week bijeen om brood te breken en Paulus spreekt tot middernacht. Het volgende vers zegt: “En er waren vele lichten in de opperzaal waar zij vergaderd waren” (Handelingen 20:8). Dat is een samenkomst in de avond, met lampen, die doorgaat tot diep in de nacht. Wie de zondag als dag neemt, doet dat dus terecht, maar dan wel in de avond, zoals de Schrift het laat zien.
Een tweede vraag: “In Handelingen 2:46 staat dat zij dagelijks van huis tot huis brood braken. Dus mag het toch elke keer anders?” Daar staat: “En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten.” Dat is gewoon samen eten, een gewone maaltijd. Paulus maakt het verschil duidelijk wanneer hij zegt: “Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken?” (1 Korinthe 11:22) en “Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete” (1 Korinthe 11:34). Het Avondmaal is geen gewone maaltijd. Het heeft een eigen orde.
Hoe vaak het Avondmaal gehouden moet worden, schrijft de Schrift niet voor: “zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken” (1 Korinthe 11:26). De wijze en het tijdstip staan wel vast, de frequentie niet. Dat laatste mogen we niet zwaarder maken dan het is, maar het eerste ook niet lichter.
Het brood: Genomen, gedankt, gebroken
Paulus schrijft verder:
“En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.” (1 Korinthe 11:24)
Let op de volgorde: nemen, danken, breken, geven. Matteüs en Lukas zeggen hetzelfde (Matteüs 26:26 en Lukas 22:19: “brak Hij het”). Het brood wordt niet heel gegeven. Het wordt gebroken, want het wijst op het lichaam van de Heere Jezus dat voor ons “gebroken” is. Het brood staat voor Zijn lijden. Jesaja had het al voorzegd:
“Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.” (Jesaja 53:5)
Wie het brood heel laat en niet breekt, laat dus iets weg wat de Heere Jezus zelf deed en gebood. Hij erkent dan het lijden van Jezus Christus niet zoals de Heere dat bedoelde. Je moet het tot in de punten navolgen, want anders is het volgens Paulus niet meer het Avondmaal van de Heere Jezus: “dat is niet des Heeren avondmaal eten” (1 Korinthe 11:20). Een leraar die het brood niet breekt, zegt misschien dat het er niet toe doet. Maar het staat er, en wat er staat, gaat boven elke gewoonte.
Hier zou iemand een tegenwerping kunnen zien: als het brood gebroken wordt, wijst dat dan op gebroken botten? Johannes schrijft dat de soldaten bij de gekruisigde Jezus Christus de benen niet braken, “want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden” (Johannes 19:36), naar het paaslam waarvan het ook heette: “gij zult geen been daaraan breken” (Exodus 12:46). Er is geen tegenspraak. Het gebroken brood wijst niet op gebroken botten, maar op het lijden dat de Heere Jezus onderging: slagen, doornen, verbrijzeling en doorboring. Jesaja noemt het: verwond en verbrijzeld. De Schrift spreekt zichzelf dus niet tegen, ze vult zichzelf aan.
Het brood is ook ongezuurd. Het Avondmaal werd ingesteld op “de dag der ongehevelde broden” (Lukas 22:7). Paulus verbindt dat met ons leven: “Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid” (1 Korinthe 5:8).
De beker: Één beker, één dood
“Want in des HEEREN hand is een beker” (Psalm 75:9). De beker is van de Heere Jezus, dus Hij bepaalt hoe er gedronken wordt. Paulus schrijft:
“Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.” (1 Korinthe 11:25)
Het valt op dat het woord steeds in het enkelvoud staat: de drinkbeker. Dat geldt voor 1 Korinthe 10:16, voor 11:25, 26, 27 en 28 en voor Lukas 22:20. Nergens in de verhalen over het Avondmaal lezen we over “bekers” of “glaasjes”. En als de Heere Jezus de beker aan de leerlingen geeft, zegt Hij:
“En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit.” (Matteüs 26:27)
“En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien; en zij dronken allen uit denzelven.” (Markus 14:23)
“Allen daaruit” en “allen uit denzelven”: ze dronken allemaal uit dezelfde beker. Dat is de Schrift. Een rij kleine glaasjes, die meer doet denken aan een bar dan aan de tafel van de Heere, is dat niet.
Veel mensen zeggen daarop: “Maar het is toch dezelfde wijn? We schenken uit één fles in alle bekertjes, dus het is hetzelfde.” Het is niet hetzelfde. Dat de wijn uit één fles komt, maakt de beker niet één. De Heere Jezus nam één beker en liet iedereen daaruit drinken. Waarom is dat zo belangrijk? Omdat de beker en het brood twee verschillende dingen van Zijn ene lichaam laten zien:
Het brood wijst op het lijden van Zijn lichaam. Daarom wordt het brood gebroken.
De wijn (zie meer over Bijbelse wijn) wijst op de dood van Zijn lichaam. Zijn bloed werd namelijk pas vergoten nadat Hij gestorven was.
Johannes beschrijft het zo:
“Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij nu gestorven was, zo braken zij Zijn benen niet. Maar een der krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en terstond kwam er bloed en water uit.” (Johannes 19:33-34)
Een beker is een bak, een vat. Zijn lichaam was als het ware het vat. Toen het werd doorstoken, kwam het bloed eruit. Er stierven niet een heleboel lichamen voor u. Er was één lichaam, één dood. Eén dood, één beker. Dat patroon van “één” komt vaker voor: “Want een brood is het, zo zijn wij velen een lichaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn” (1 Korinthe 10:17). “Een lichaam is het, en een Geest... Een Heere Jezus, een geloof, een doop” (Efeze 4:4-5). Eén lichaam, één brood, één beker.
In de Nederlandse kerken wordt vaak gezegd dat losse bekertjes praktischer en hygiënischer zijn. Dat kan een goed bedoeld argument zijn, maar het is een menselijk argument. Moet de Schrift zich aanpassen aan onze praktische bezwaren? Of passen wij ons aan de Schrift aan? Bij de tabernakel moest Mozes alles maken “naar hun voorbeeld, hetwelk u op den berg getoond is” (Exodus 25:40; zie ook Hebreeën 8:5). Hij mocht niets aanpassen om het gemakkelijker te maken. Als God zo nauwkeurig is bij een tent, dan ook bij de tafel van Zijn Zoon.
Een tweede bezwaar: “In Lukas 22:17 zegt Jezus Christus toch: ‘Neemt dezen, en deelt hem onder ulieden’? Dan mag de beker toch verdeeld worden?” Kijk goed naar de volgorde. Lukas 22:17 gaat over de beker van het Pascha, vóór het brood. De beker van het Nieuwe Testament volgt “na het avondmaal” (Lukas 22:20). Over die beker staat: “zij dronken allen uit denzelven” (Markus 14:23). Er is dus geen tegenspraak, maar twee verschillende momenten.
Een Nederlands beeld maakt het duidelijk: de beker is het Nieuwe Testament. “Testament” is bij ons het woord voor een uiterste wil, de akte die bij de notaris wordt opgemaakt. Het Boek Hebreeën zegt: “Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des testamentmakers tussen kome. Want een testament is vast in de doden, dewijl het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft” (Hebreeën 9:16-17). Een testament wordt pas geldig door één dood. En: “zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving” (Hebreeën 9:22). Eén testament, één dood, één beker. Dat is de samenhang.
Ook de inhoud van de beker is belangrijk. Jezus Christus noemt het zelf “de vrucht des wijnstoks” (Matteüs 26:29). Wat de Heere nam, nemen wij: wijn, de vrucht van de wijnstok, en ongezuurd brood. Wat daarvan afwijkt, is een eigen vondst.
De beker die wij zegenen
Paulus stelt een vraag waarvan veel mensen niet eens weten dat hij in de Bijbel staat:
“De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?” (1 Korinthe 10:16)
Het gaat om de beker die we zegenen, en er staat: de beker, niet de bekers. Als een leraar bidt over een dienblad vol glaasjes, is dat dan de gemeenschap van het bloed van Christus? Of is het iets anders, een eigen vondst die we over de plaats van de beker van de Heere Jezus hebben gezet? Dat is dezelfde vraag die Paulus stelt, en ieder moet haar eerlijk beantwoorden.
Eén vers verder gaat Paulus nog dieper in:
“Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.” (1 Korinthe 10:21)
Er is geen derde beker. Er is de beker van de Heere Jezus, en er is de beker van de tegenstander. Let op de samenhang: Paulus spreekt in dit gedeelte over maaltijden voor afgoden, waar de heidenen eigenlijk de duivelen offeren (vers 20). Zijn punt is dat je niet aan twee tafels tegelijk kunt zitten. Het principe geldt voor elke tafel: alles wat niet door de Heere Jezus is ingesteld, hoort bij een andere tafel. Wij zeggen daarom met respect, maar zonder omwegen: wie een beker of een manier van drinken invoert die de Heere Jezus niet heeft gegeven, drinkt niet meer alleen van Zijn beker.
Hier komt nog iets bij. Er wordt vaak gezegd: “Jezus Christus komt terug om een gemeente te zoeken.” Dat zegt de Schrift niet. Wie iets zoekt, heeft het kwijtgeraakt, en de Heere Jezus raakt Zijn gemeente niet kwijt. Hij zegt dat Hij ze Zichzelf zal voorstellen, en de Schrift zegt hoe ze dan moet zijn:
“Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij heilig zij en onbestraffelijk.” (Efeze 5:27)
Geen vlek. Een kerkgemeente die het Avondmaal houdt met een dienblad vol glaasjes, heeft een vlek. Een kerkgemeente die het Avondmaal in de ochtend houdt in plaats van in de nacht, heeft nog een vlek. Een kerkgemeente die iets anders in de beker schenkt dan de Heere Jezus nam, nog een. Zoveel vlekken, zoveel afwijkingen. En de Heere Jezus komt voor een gemeente zonder vlek.
Verkeerd deelnemen heeft gevolgen
Het Avondmaal is geen zaak om licht over te denken. Paulus schrijft:
“Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker. Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren. Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.” (1 Korinthe 11:27-30)
Dit is ernstig. Het gaat om ziekte en zelfs om de dood. “Velen slapen”, dat wil zeggen: velen waren gestorven. Sommige ziekten van mensen kunnen komen doordat het Avondmaal verkeerd werd gehouden of verkeerd werd genomen. Wie het Avondmaal wil houden, moet dat dus goed doen: op de manier van de Schrift, op het uur van de Schrift, met het brood en de beker van de Schrift.
Let wel op wat Paulus zegt: “de mens beproeve zichzelven, en ete alzo.” Hij zegt niet: neem het niet. Hij zegt: onderzoek jezelf, en neem het dan. Wie denkt “ik ben het niet waard, ik sla het maar over”, krijgt hier het antwoord dat zelfonderzoek hoort bij het deelnemen, niet in de plaats ervan. Dat betekent ook: een kerkgemeente die het Avondmaal houdt, moet tijd nemen voor zelfonderzoek, voor verzoening met elkaar (“Zo dan, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander”, 1 Korinthe 11:33) en voor het goede onderscheiden van het lichaam des Heeren.
Paulus noemt het ook een genade: “Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden” (1 Korinthe 11:31-32). De tucht van de Heere Jezus is bedoeld om ons te redden, niet om ons weg te sturen.
Daarom is ook de uitspraak “het is maar een symbool, er gebeurt niets” niet houdbaar. Als het maar een symbool was, zou Paulus niet schrijven over schuld aan het lichaam en bloed van de Heere Jezus, over oordeel, over zwakken, kranken en slapenden. Het Avondmaal is een gemeenschap met Christus (1 Korinthe 10:16).
Wat mensen zeggen, en wat de Schrift antwoordt
Veel mensen vinden excuses om niets te hoeven veranderen. Hier volgen de bekendste, met het antwoord van de Schrift.
“Mijn voorganger zegt dat het mag.”
Een voorganger is een mens. De Schrift zegt: “Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen” (Handelingen 5:29). En Paulus schrijft dat wij zouden leren “niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is” (1 Korinthe 4:6). Het gaat niet om wat een leraar zegt dat de Heere Jezus heeft gezegd, maar om wat er staat. Daarom is het goed te doen zoals de mensen in Berea: “En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren” (Handelingen 17:11).
“Je vindt geen enkele kerk die de hele Bijbel gelooft. Dan is iedereen verloren.”
Dit wordt vaak gezegd om de ernst weg te nemen. Maar wie de Bijbel niet gelooft, wat redt hem dan? Hoe kun je zeggen dat je gered bent, terwijl je het Boek niet gelooft waarin de redding staat? De Schrift is niet voor een deel nuttig, maar helemaal: “Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust” (2 Timotheüs 3:16-17). En Jakobus zegt: “En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende” (Jakobus 1:22).
“Wat maakt het uit? God ziet toch het hart?”
Dit is misschien wel het meest gehoorde excuus. Het klinkt vroom, maar het is niet wat de Schrift leert. Nadab en Abihu, de zonen van Aäron, brachten een “vreemd vuur” voor het aangezicht van de Heere, “hetwelk Hij hun niet geboden had” (Leviticus 10:1). Hun bedoeling kon goed zijn. Toch staat er: “Toen ging een vuur uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht des HEEREN” (Leviticus 10:2). Koning Saul bracht een offer omdat het volk wegliep, uit nood en met goede bedoelingen. Samuël zei: “Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden” (1 Samuël 13:13). En: “Heeft de HEERE lust aan brandofferen, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des HEEREN?” (1 Samuël 15:22). Een apotheker die per ongeluk een verkeerd middel meegeeft, bedoelt het ook goed, maar de patiënt heeft er niets aan. Een goed hart blijkt uit gehoorzaamheid. Jezus Christus zegt: “Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden” (Johannes 14:15).
“Dat was toen. Nu leven we in een andere tijd.”
Het Avondmaal is ingesteld voor een bepaalde duur, en die duur noemt Paulus zelf: “zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt” (1 Korinthe 11:26). Dat betekent dat het blijft tot de Heere Jezus terugkomt. En: “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid” (Hebreeën 13:8). Wat Hij toen gebood, is nog steeds Zijn gebod. Paulus prijst de gelovigen omdat ze “de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb” (1 Korinthe 11:2), en schrijft: “Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn” (2 Tessalonicenzen 2:15).
“Dat doen we al honderden jaren zo. Het is onze traditie.”
Ook in de dagen van Jezus Christus beriepen mensen zich op hun overleveringen. Zijn antwoord was scherp: “Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods, door uw inzetting?” (Matteüs 15:3). En: “Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn” (Matteüs 15:8-9). Paulus waarschuwt: “Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen... en niet naar Christus” (Kolossenzen 2:8). Een gewoonte die oud is, is daarom nog niet goed. Alleen wat met de Schrift overeenkomt, is goed.
“Dit is wetticisme. Wij leven onder de genade.”
Gehoorzaamheid aan de Heere Jezus is geen last. Johannes schrijft: “Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar” (1 Johannes 5:3). Jezus Christus vraagt: “En wat noemt gij Mij, Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg?” (Lukas 6:46). Genade en gehoorzaamheid horen bij elkaar.
“Ik voelde de Geest erbij.”
In Matteüs 7:21-23 waarschuwt de Heere Jezus dat velen op de dag van het oordeel zullen zeggen dat zij in Zijn naam hebben geprofeteerd, boze geesten hebben uitgedreven en wonderen hebben gedaan. Dan zal Hij zeggen: “Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!” (Matteüs 7:23). Hoe kun je de Geest van God voelen bij iets wat tegen God ingaat? Gevoel is geen toets, het Woord is dat wel: “Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid” (Johannes 17:17).
Wie mag het Avondmaal leiden?
Bij het Avondmaal hoort ook de vraag wie het mag bedienen. Ook hier geldt: wat de Schrift zegt, en niets anders. Veel kerken leren dat er in Handelingen 6 zeven diakenen werden aangesteld en dat een kerkgemeente daarom zeven diakenen moet hebben. Kijken we wat er staat? Er ontstond gemor omdat de weduwen van een groep in de dagelijkse bediening over het hoofd werden gezien. De twaalf apostelen zeiden dat het niet goed was dat zij het Woord van God zouden nalaten om de tafels te bedienen. Ze vroegen de gemeente om zeven mannen te kiezen, vol van de Heilige Geest en wijsheid, en ze noemden Stefanus, Filippus, Prochorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaüs (Handelingen 6:1-5). De apostelen zeiden: “Maar wij zullen volharden in het gebed, en in de bediening des Woords” (6:4). Daarna: “Welken zij voor de apostelen stelden; en dezen, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op” (6:6).
Heb je gemerkt dat het woord “diaken” er helemaal niet staat? Het gaat om het bedienen van de tafels. Eén van die zeven was Filippus. Wat wordt er later over hem gezegd?
“...en gegaan zijnde in het huis van Filippus, den evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem.” (Handelingen 21:8)
Hij wordt “de evangelist” genoemd, niet “de diaken”. Wie dus zegt dat Handelingen 6 het voorbeeld is voor het diakenambt, bouwt op een vers dat dat niet zegt. De Schrift beschrijft het ambt van diaken elders, in 1 Timotheüs 3:8-13: “Dat de diakenen ener vrouwe mannen zijn, die hun kinderen en hun eigen huizen wel regeren” (3:12). Ook bij het aanstellen van mensen geldt de Schrift: “Leg niemand haastelijk de handen op” (1 Timotheüs 5:22), en Paulus liet Titus op Kreta achter “opdat gij, hetgeen nog ontbrak, voorts zoudt te recht brengen, en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb” (Titus 1:5). Een aanstelling moet net zo goed volgens de Bijbel gaan als de rest. Het rijexamen blijft dus gelden: je moet het goede doen, volgens het boekje, van het begin tot het eind.
En wie mag opziener zijn? Lees wat Paulus schrijft:
“Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk. Een opziener dan moet onberispelijk zijn, ener vrouwe man.”
(1 Timotheüs 3:1-2)
“Een getrouw woord” betekent dat alles wat daar tegenin gaat, niet getrouw is. De opziener is de man van één vrouw. Titus 1:6 zegt hetzelfde: “ener vrouwe man”. Dat Paulus een vrouw als opziener of als leraar in de gemeente zou toelaten, staat nergens. Hij schrijft zelfs: “Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij” (1 Timotheüs 2:12). Hij verwijst naar de orde van de schepping: “Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva” (2:13). Hij schrijft ook: “Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus” (1 Korinthe 11:3) en: “Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt” (1 Korinthe 14:34).
Sommigen zeggen: “Ik heb de Geest gevoeld toen zij preekte.” Dat is hetzelfde excuus als hierboven. Hoe kun je de Geest van God voelen bij iets wat tegen Gods Woord ingaat? De profeet Jesaja zegt over een volk dat in verval was: “De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelve. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u” (Jesaja 3:12), en: “Want de leiders dezes volks zijn verleiders, en die van hen geleid worden, worden ingeslokt” (Jesaja 9:16). Paulus spreekt ook over het uiterlijk van vrouwen in de gemeente: eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid (1 Timotheüs 2:9). In Openbaring 2:20 verwijt de Heere Jezus de gemeente in Thyatira dat zij de vrouw Izébel toelaat, die zichzelf profetes noemt en Zijn dienstknechten leert en verleidt. Dit is dus meer dan een mening over een kerkelijke gewoonte. Prediker 7:28 wordt hierbij soms ook genoemd, maar dat is een vaststelling van de Prediker over zijn eigen zoektocht en geen gebod. Het weegt daarom minder zwaar dan de duidelijke geboden hierboven.
Dit is geen minachting voor vrouwen. Ze hebben een kostbare plaats in de gemeente en in het werk van de Heere Jezus. Maar de Schrift onderscheidt het ambt van opziener en het leren en gezag voeren in de gemeente van andere taken. De vraag “maar Filippus had toch vier dochters die profeteerden?” (Handelingen 21:9) is begrijpelijk. Ja, dat staat er, en het wordt niet ontkend. Profeteren is echter iets anders dan het ambt van opziener of het leren en gezag voeren over de man in de gemeente, waar 1 Timotheüs 2:12 over gaat. Zo blijven beide teksten staan en spreekt de Schrift zichzelf niet tegen.
Wat doet een leraar/voorganger die dit allemaal ziet en dan terugkrijgt: “Als u dat zegt, dan ga ik weg”? Of die thuis te horen krijgt dat hij dit niet moet zeggen? De Schrift is duidelijk. Een leraar mag zich niet laten leiden door druk van zijn gezin, zijn familie of zijn kerkgemeente. Paulus schrijft: “Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende” (1 Korinthe 7:29). Dat wil zeggen: een leraar moet de waarheid verkondigen zonder te vragen wat het thuis zal kosten. En: “Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus” (Galaten 1:10). Jezus Christus zelf zegt: “Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn. En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn” (Lukas 14:26-27), en: “Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig” (Matteüs 10:37). Een roeping is niet iets wat je thuis wordt aangepraat of wat je jezelf inbeeldt. Ze moet van God komen en met de Schrift overeenstemmen. Wie niet bereid is alles te verliezen voor de waarheid, hoort niet op de kansel. Een leraar die zijn leer laat bepalen door wat thuis goed uitkomt, is een slaaf van mensen.
Hoe komen mensen dan tot de waarheid? God heeft Zijn Woord op Zijn tijd bekendgemaakt door de prediking (Titus 1:1-3), en Hij moet ons verstand openen, zoals Hij dat bij de apostelen deed, om de Schriften te verstaan (Lukas 24:45). Gebeurt dat niet, dan gaat men achter de religie van mensen aan. Daarvoor waarschuwt Paulus:
“Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden; en zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen.” (2 Timotheüs 4:3-4)
Wij weten dat de poorten van de hel de ware gemeente niet zullen overweldigen (Matteüs 16:18). In elke tijd is er een rest die de Schrift naleeft en de waarheid doorgeeft: “En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren” (2 Timotheüs 2:2).
Dezelfde nacht: De voetwassing
In de nacht waarin het Avondmaal werd ingesteld, deed de Heere nog iets anders. Johannes vertelt het: Jezus Christus “stond op van het avondmaal, en legde Zijn klederen af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelven” (Johannes 13:4), goot water in een bekken en wiste de voeten van de leerlingen. De voetwassing kwam dus ná het Avondmaal, zoals Johannes ook al in vers 2 schrijft: “als het avondmaal gedaan was”. Daarna zei Hij:
“Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wassen. Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet.” (Johannes 13:14-15)
Let op hoe de Heere Jezus het deed. Het was niet “jij mij, en ik jou”. De één diende de ander: Hij waste, en de leerlingen lieten zich wassen. Dat is eenrichtingsverkeer, net als bij Zijn offer: Hij gaf, wij ontvingen. Dat past bij het woord “elkanders voeten”: ieder is schuldig de ander te dienen op de manier waarop de Heere Jezus ons diende.
Hoe ernstig de Heere Jezus dit nam, blijkt uit Zijn gesprek met Petrus. Petrus wilde het eerst niet: “Gij zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid!” Jezus Christus antwoordde hem: “Indien Ik u niet wasse, gij hebt geen deel met Mij” (Johannes 13:8). Het is dus geen bijzaak waar je omheen kunt.
Veel kerkgemeenten noemen zich bijbelgetrouw en vieren het Avondmaal, maar de voetwassing laten zij liggen. Waar zijn de kerkgemeenten die ná het Avondmaal elkaars voeten wassen? Het is een vergeten gebod. Wie het Avondmaal als een inzetting van de Heere wil houden, volledig, in de juiste volgorde en op de juiste wijze, mag dit niet overslaan. Een kerkgemeente die wel het Avondmaal houdt maar de voetwassing overslaat, handelt in openlijke ongehoorzaamheid. De voetwassing staat in hetzelfde verhaal, in dezelfde nacht, en de Heere Jezus noemt haar zelf een voorbeeld.
Dan hoor je soms: “Het is maar symbolisch.” Maar de Heere Jezus zegt niet: denk er eens over na. Hij zegt: “opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet.” Een voorbeeld is bedoeld om na te doen. En Hij voegt eraan toe: “Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij dezelve doet” (Johannes 13:17). Ook het antwoord “we wassen elkaars voeten tegelijk” klopt niet met wat de Heere deed: Hij waste, zij ontvingen.
Toegepast op ons leven in Nederland
We leven in een land dat veel waarde hecht aan verdraagzaamheid. “Ieder zijn eigen overtuiging” klinkt vriendelijk en tolerant. Voor elkaar als mensen is dat een goede houding. Maar bij de vraag hoe we God dienen, is geen ruimte voor “ieder zijn eigen manier”. Er is één Heere, één geloof, één doop (Efeze 4:5), en één tafel. Wie bij ons het Avondmaal houdt, doet dat daarom niet op het moment dat het het beste in het weekend uitkomt, maar op het uur dat de Schrift noemt.
Wat betekent dit voor de praktijk? Samengevat, op grond van alles wat hierboven staat:
Houd het Avondmaal in de avond, in de nacht, zoals de Heere Jezus dat deed (1 Korinthe 11:23).
Neem ongezuurd brood en wijn, de vrucht van de wijnstok (Lukas 22:7; Matteüs 26:29; 1 Korinthe 5:8).
Dank, zegen en breek het brood in het openbaar voor de gemeente (1 Korinthe 11:24; 10:16).
Gebruik één beker, waaruit allen drinken (Matteüs 26:27; Markus 14:23).
Onderzoek jezelf voordat je eet en drinkt (1 Korinthe 11:28).
Wacht op elkaar (1 Korinthe 11:33) en houd het eenvoudige gewone eten voor thuis (1 Korinthe 11:34).
Laat het Avondmaal bedienen door mensen die volgens de Schrift zijn aangesteld (1 Timotheüs 3; Titus 1:5).
Laat alles wat u doet toetsen aan de Schrift, ook als het ongemakkelijk is (Handelingen 17:11).
Houd u aan wat er staat
Het Avondmaal is geen traditie waarmee we naar believen kunnen schuiven. Het is een instelling van de Heere zelf, met een vast uur, een gebroken brood, één beker en een ernstige waarschuwing. Wie het zo houdt, verkondigt de dood des Heeren tot Hij komt. Wie het anders doet, houdt een eigen bijeenkomst, en over zo’n bijeenkomst zegt Paulus: “dat is niet des Heeren avondmaal eten.” Het gaat niet om strengheid, maar om trouw aan Hem die ons heeft liefgehad. Hij zegt:
“Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden.” (Johannes 14:15)
Laat ons dus terugkeren naar de Schrift. Jezus Christus komt terug voor een gemeente zonder vlek. Daar horen we bij te willen zijn, niet in woorden, maar in daden. Want de Heere waarschuwt: “En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!” (Matteüs 7:23). Maar wie bij Zijn Woord blijft, mag horen: “Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij dezelve doet” (Johannes 13:17).
Hebt u vragen over het Avondmaal of wilt u samen de Schrift onderzoeken? Onze kerkgemeente, De Waarheid Gods, nodigt u daar graag voor uit. Neem uw Bijbel mee en onderzoek met ons “of deze dingen alzo waren” (Handelingen 17:11).

Opmerkingen