Waarom de wereld geen respect meer heeft voor de kerk van nu.
Wat de Bijbel zegt over een kerk die haar eer, haar kracht en haar roeping kwijt is geraakt
Veel mensen die op zondag een kerk binnenstappen zijn oprecht. Ze willen graag gered worden en ze zoeken God met een eerlijk hart. En toch gebeurt er iets opmerkelijks: ook mensen die zelf niet geloven, zien vaak haarscherp wat er in de kerken misgaat. Zelfs iemand die zijn leven leidt zonder God weet dat bepaalde dingen niet in een kerk thuishoren. Hij heeft daarom het respect verloren voor wat vandaag de dag “kerk” wordt genoemd. En als we eerlijk zijn: wat nu zo wordt genoemd, is in veel gevallen niet de kerkgemeente van God zoals de Bijbel die beschrijft.
Ook in Nederland zie je dit gebeuren. Kerkgebouwen worden verkocht en veranderen in woningen, winkels of horecazaken. Veel Nederlanders zeggen zonder omhaal dat ze niets met “de kerk” te maken willen hebben. Dat is een pijnlijk gegeven, maar we moeten er niet voor weglopen. We moeten ons afvragen: waarom is dat zo?
Moeten we boos worden op de mensen buiten de kerk? Of moeten we eerst in de spiegel kijken? De apostel Paulus schreef aan mensen die zeiden God te kennen, en wat hij schreef raakt precies aan de kern van deze vraag:
“Die op de wet roemt, onteert gij God door de overtreding der wet? Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is.”
Romeinen 2:23-24
Ook is oprechtheid alleen niet genoeg. Je kunt met heel je hart ergens in geloven en toch ernaast zitten. Paulus zegt over zijn eigen volk:
“Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.” Romeinen 10:2-3
In deze tekst nemen wij, als kerkgemeente De Waarheid Gods, de Bijbel erbij om stap voor stap te laten zien waarom de wereld zo over de kerk denkt. We doen dat niet om op anderen neer te kijken, maar omdat we geloven dat de waarheid de enige weg is terug. Alles wat hierna staat, is met Bijbelteksten onderbouwd, zodat je het zelf kunt nagaan.
Wat de wereld ziet: Zout dat zijn kracht verloor
Jezus Christus zei tegen zijn volgelingen dat zij het zout van de aarde zijn. Zout is bedoeld om te laten smaken en om te bewaren. Maar kijk wat Hij zegt over zout dat zijn kracht kwijt is:
“Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.” Mattheüs 5:13
Dat is precies wat we nu zien. De wereld “vertrapt” de kerk: met spot, met een schouderophalen, met onverschilligheid. Niet omdat de wereld zo goed is, maar omdat het zout zijn zout-zijn is vergeten. En Jezus Christus gaf ook de oplossing:
“Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.” Mattheüs 5:16
Een Nederlander is nuchter en direct. Hij ruikt hypocrisie van een kilometer afstand. Wie op zondag mooie woorden spreekt over liefde en eerlijkheid, en door de week ruzie maakt, het niet zo nauw neemt met de waarheid of de kerkgemeente laat betalen voor zijn eigen luxe, hoeft zich niet te verbazen dat de buurman hem niet serieus neemt.
Dat de wereld de kerk soms scherper beoordeelt dan de kerk zichzelf, is zelfs bijna een gewoonte geworden. Stel je het volgende voor. Iemand die niet gelovig is, zegt tegen een kerkganger: “Jullie zijn helemaal geen echte kerk.” De kerkganger wordt boos en zegt: “Jawel, dat zijn we wel!” De buitenstaander houdt vol: “Nee, dat zijn jullie niet.” Wie spreekt hier eigenlijk de waarheid? Heel vaak vertelt de buitenstaander de waarheid, en verdedigt de zogenaamde christen een leugen. Dat klinkt hard, maar de Bijbel zegt het zelf zo:
“Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij, en doen de waarheid niet.” 1 Johannes 1:6
“Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ongeschikt.” Titus 1:16
“Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van dezen.” 2 Timotheüs 3:5
Jezus Christus zei zelfs tegen de religieuze leiders van zijn tijd dat mensen die buiten de kerkelijke kring stonden hen voorgingen in het koninkrijk van God (Mattheüs 21:31). Dat laat zien dat God niet kijkt naar welk bordje er op een gebouw hangt, maar naar wat er in een mens en in een kerkgemeente werkelijk leeft.
Daar komt iets bij. De wereld heeft soms niet alleen een mening over ons, maar ook een reden. God zelf zegt dat zijn naam verlaagd wordt door het gedrag van zijn eigen volk. Zo was het in de tijd van de profeten:
“Als zij nu tot de heidenen kwamen, waarhenen zij getogen waren, ontheiligden zij Mijn heiligen Naam, omdat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des HEEREN, en zijn uit Zijn land uitgegaan.” Ezechiël 36:20
En zo was het ook bij koning David. Toen hij ernstig had gezondigd, zei de profeet Nathan tegen hem:
“Nochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des HEEREN grotelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, den dood sterven.” 2 Samuël 12:14
Daarom stelt de Bijbel als eis voor iemand die in de kerkgemeente leiding geeft, dat hij ook buiten de kerkgemeente een goede naam heeft:
“En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid, en in den strik des duivels.” 1 Timotheüs 3:7
“En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.” 1 Petrus 2:12
“De wereld oordeelt maar. Ze zijn gewoon tegen God.”
Dat is een veelgehoord excuus. Het is waar dat de wereld ons zal haten om de waarheid (Johannes 15:18-19 en 2 Timotheüs 3:12). Maar er is een groot verschil tussen gehaat worden om Christus en veracht worden om je eigen gedrag. De Bijbel maakt dat onderscheid heel scherp:
“Doch dat niemand van u lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een, die zich met eens anders doen bemoeit; Maar indien iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dezen dele.” 1 Petrus 4:15-16
En let op wat Petrus daarna zegt: het oordeel begint bij het huis van God (1 Petrus 4:17). Wij zijn dus de eersten die zich moeten laten onderzoeken, niet de laatsten.
Waarvoor is de kerk eigenlijk bedoeld? Denk aan de ark van Noach
Om te begrijpen wat er is misgegaan, moeten we terug naar het begin: waarvoor is de kerk er? Denk aan Noach. God vertelde hem dat er een oordeel kwam over de wereld, en Hij gaf hem de opdracht om een ark te bouwen:
“Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is.” Hebreeën 11:7
Die ark was een vluchtweg uit het oordeel. Niet meer en niet minder. Zo is de kerk bedoeld: een ark om mensen te redden van het vuur dat nog komt. De Bijbel zegt dat de aarde wordt bewaard voor dat oordeel:
“Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen.” 2 Petrus 3:7
Maar wat gebeurt er in veel kerken nu? Ze redden niet, ze helpen mensen zelfs de verkeerde kant op. Wie had ooit gedacht dat dit soort dingen in de kerk zou voorkomen? Maar als mensen er maar lang genoeg in leven, ziet niemand er nog iets verkeerds in. Jezus Christus zei over zulke leiders:
“Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.” Mattheüs 15:14
“Maar wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden! want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan.” Mattheüs 23:13
Stel je een dijkwachter voor. Nederlanders weten als geen ander wat water kan doen. Als zo'n wachter zegt: “Het valt allemaal wel mee, ga maar rustig slapen,” terwijl het water stijgt, dan is hij geen vriend maar een gevaar. God zegt hetzelfde over wie als wachter is aangesteld en zijn mond houdt:
“Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen.” Ezechiël 33:6
Wat is dan wel de taak van de kerk? Ze moet mensen uit de zonde preken, niet in de zonde laten blijven. Dat is de hele reden waarom Jezus Christus kwam:
“En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.” Mattheüs 1:21
“Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld;” Titus 2:11-12
En dat was ook de boodschap van de eerste kerk op de dag dat ze begon. Petrus riep op tot bekering en zei erbij:
“En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!” Handelingen 2:40
In plaats daarvan zie je steeds vaker dat de kerk zich aanpast aan wat mensen graag willen horen. Ze durft niemand meer te kwetsen, want als mensen zich gekwetst voelen, komen ze misschien niet meer en geven ze misschien geen geld meer. De Bijbel waarschuwde hier al eeuwen geleden voor:
“Die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet; en tot de schouwers: Schouwt ons niet, wat recht is; spreekt tot ons zachte dingen, schouwt ons bedriegerijen.” Jesaja 30:10
“Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden; En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen.” 2 Timotheüs 4:3-4
“En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede.” Jeremia 6:14
Het gevolg is dat men gaat goedkeuren wat God zonde noemt. De Bijbel noemt dat een ernstig kwaad:
“Wee dengenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!” Jesaja 5:20
“Dewelken, daar zij het recht Gods weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.” Romeinen 1:32
Denk bijvoorbeeld aan het huwelijk. Vanaf het begin heeft God het huwelijk gegeven als een verbond tussen een man en een vrouw, en Jezus Christus bevestigde dat:
“Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn.” Genesis 2:24
“Doch Hij, antwoordende, zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, Die van den beginne den mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw? En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn; Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.” Mattheüs 19:4-6
Toch zijn er kerken die relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht zegenen, terwijl de Bijbel daar duidelijke woorden over heeft. Niet alleen in de brieven van Paulus, maar ook al in de wet van Mozes:
“Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature; En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende.” Romeinen 1:26-27
“Bij een manspersoon zult gij niet liggen met vrouwelijke bijligging; dit is een gruwel.”
Leviticus 18:22
Dat betekent niet dat een christen mensen mag minachten of uitschelden. De Bijbel zegt dat wij “de waarheid in liefde” moeten spreken (Efeze 4:15). Let ook op wat Paulus zegt in dezelfde brief waarin hij over zonde spreekt. Hij noemt in één adem hoereerders, afgodendienaars, dieven, gierigaards, dronkaards en lasteraars, en hij zegt dan:
“Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beerven? Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beerven. En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods;” 1 Korinthe 6:9-11
Er is dus geen sprake van een “grotere” of “kleinere” zonde waar we gemakkelijk over kunnen oordelen: elke zonde heeft bekering nodig, ook die van de gierigaard op de kansel. En er is hoop, want mensen kunnen veranderen. Jezus Christus zei tegen de vrouw die op overspel was betrapt: “Ik veroordeel u ook niet”, en daarna: “Ga heen en zondig niet meer” (Johannes 8:11). Genade en waarheid horen bij elkaar (Johannes 1:14). Een kerk die alleen het eerste doet of alleen het tweede, doet Jezus Christus tekort.
Ook de leiders zelf moeten aan eisen voldoen. Een voorganger hoort met zijn eigen leven en huwelijk een voorbeeld te zijn. Als hij zijn eigen huis niet op orde heeft, hoe moet hij dan voor de gemeente zorgen?
“Een opziener dan moet onberispelijk zijn, ener vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leren;” 1 Timotheüs 3:2
“(Want zo iemand zijn eigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij voor de Gemeente Gods zorg dragen?)” 1 Timotheüs 3:5
“Niemand is perfect. We zijn allemaal zondaars.”
Dat klinkt eerlijk en nederig, maar het wordt vaak gebruikt als vrijbrief om niets te hoeven veranderen. De Bijbel zegt dat we inderdaad niet moeten beweren dat we zonder zonde zijn, maar ook dat een christen niet in de zonde blijft leven:
“Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.” 1 Johannes 1:8-9
“Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?” Romeinen 6:1-2
“Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen.” Spreuken 28:13
“Je mag niet oordelen.”
Mensen halen hier graag de woorden van Jezus Christus bij: “Oordeelt niet” (Mattheüs 7:1). Maar dezelfde Jezus Christus zei een paar verzen later dat je valse leraren aan hun vruchten moet herkennen (Mattheüs 7:15-20), en ook:
“Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.” Johannes 7:24
Het gaat dus niet om de vraag of we mogen oordelen, maar hoe: eerlijk, zonder partijdigheid, op grond van het Woord en niet op grond van onze eigen smaak. En met de wetenschap dat we zelf ook geoordeeld worden.
“Jezus Christus accepteerde iedereen precies zoals hij was.”
Hij nam zondaars aan, ja, maar Hij liet ze niet zoals ze waren. Hij zei zelf waarom Hij kwam:
“Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.”
Lukas 5:32
Waarom gaan mensen eigenlijk naar de kerk?
Een andere reden waarom de kerk haar eer verliest, is dat veel mensen om de verkeerde reden komen. Sommigen komen voor een wonder. Anderen komen voor een “zegen” in de vorm van geld of succes. Weer anderen komen om een partner te zoeken, of om de voorganger als vriend te hebben. Maar waarvoor is de kerk bedoeld? Om te leren hoe God denkt, wat zijn maatstaven zijn, wat zijn wegen zijn en wat Hij met jou voorheeft. De Bijbel zegt het zo:
“En vele heidenen zullen henengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, en ten huize van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.” Micha 4:2
En Jezus Christus zelf zei tegen mensen die achter Hem aan liepen, dat ze om de verkeerde reden kwamen:
“Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt, en verzadigd zijt.” Johannes 6:26
Over de zoektocht naar tekenen en wonderen zei Hij:
“Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.” Mattheüs 12:39
Een leven met God begint met bekering. Toen de mensen op de eerste dag van de kerk vroegen wat ze moesten doen, kreeg niemand een belofte van rijkdom of een wonder, maar dit antwoord:
“En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders? En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.” Handelingen 2:37-38
Mensen hebben dat meer nodig dan ze denken. Zoals er honger naar brood bestaat, bestaat er ook honger naar de waarheid. De Bijbel kondigde dat al aan:
“Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN.” Amos 8:11
En wie zijn tijd en geld uitgeeft aan iets dat niet voedt, krijgt een rake vraag van God:
“Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.” Jesaja 55:2
Een voorbeeld: wie op zoek is naar een partner, doet er goed aan om dat niet als hoofddoel van de kerkgang te zien. Het is alsof je naar de bibliotheek gaat om te schaatsen: je bent op de verkeerde plek voor het verkeerde doel. De Bijbel zegt niet dat God nooit een partner geeft (Spreuken 18:22), maar Jezus Christus zegt dat de volgorde telt:
“Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.” Mattheüs 6:33
“Ik geloof ook zonder kerk. Ik hoef nergens heen.”
Dat hoor je in Nederland vaak. Daar staat tegenover dat de Bijbel christenen niet als eenlingen ziet. Dat de kerk een slecht voorbeeld geeft, is geen reden om de gemeenschap van gelovigen vaarwel te zeggen, maar juist een reden om een echte kerkgemeente te zoeken:
“En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken; En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.”
Hebreeën 10:24-25
En wie denkt dat “de kerk” een mooi oud gebouw in het dorp is, vergist zich. God woont niet in gebouwen die mensen maken. De gemeente zijn mensen:
“De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt;” Handelingen 17:24
“Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont?”
1 Korinthe 3:16
Geld, macht en luxe: Wanneer de collectemand een kluis wordt
Er zijn veel oudere gelovigen die kunnen vertellen over voorgangers die ooit begonnen in een klein zaaltje met een handjevol mensen. Ze preekten trouw tegen alles wat tegen Gods Woord inging. Toen de kerkgemeente groeide, kwam er meer geld. De collectemand werd een grote ton. De geldstroom hield niet meer op. De voorganger kreeg een chauffeur en een grote auto, daarna een privévliegtuig en een huis zo groot als een paleis, en zijn kinderen gingen naar de duurste scholen. En ineens werd alles wat hij vroeger afbrak, door hem weer opgebouwd. Maar de Bijbel zegt over dat gedrag:
“Want indien ik, hetgeen ik afgebroken heb, datzelve wederom opbouw, zo stel ik mijzelven tot een overtreder.” Galaten 2:18
Geld is op zichzelf niet het probleem, maar de liefde ervoor. Het is de wortel van veel kwaad, en het brengt zelfs mensen die een tijd goed begonnen waren ten val:
“Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken.” Timotheüs 6:9-10
De Bijbel noemt dit soort mensen bij naam. Het zijn geen dienaren van de Heer, maar van hun buik:
“Want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet, maar hun buik; en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen.” Romeinen 16:18
“Want velen wandelen anders; van dewelken ik u dikmaals gezegd heb, en nu ook wenende zeg, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn; Welker einde is het verderf, welker God is de buik, en welker heerlijkheid is in hun schande, dewelken aardse dingen bedenken.” Filippenzen 3:18-19
Er zijn leiders die de kansel zien als een gemakkelijke manier om rijk te worden, omdat ze te lui zijn om eerlijk werk te doen. Ze verdienen hun brood aan de zielen van anderen en spelen met hun eeuwige toekomst. Daarmee lijken zij op de profeten van wie God zegt dat ze voor geld waarzeggen:
“Haar hoofden rechten om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld; nog steunen zij op den HEERE, zeggende: Is de HEERE niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen.” Micha 3:11
De apostel Petrus zegt dat zulke mannen de kerkgemeente met “verzonnen woorden” verhandelen:
“En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet.” 2 Petrus 2:3
En de profeet Ezechiël zegt dat God de herders er persoonlijk op aanspreekt:
“Mensenkind! profeteer tegen de herders van Israel; profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Alzo zegt de Heere HEERE: Wee den herderen Israels, die zichzelven weiden! zullen niet de herders de schapen weiden? Gij eet het vette, en bekleedt u met de wol, gij slacht het gemeste, maar de schapen weidt gij niet.” Ezechiël 34:2-3
Een gedeelte van wat er gebeurt is bijna niet te geloven. Er zijn gebedslijnen waar een vast bedrag voor wordt gevraagd. Er staat dan iemand op die zegt dat de Heer tegen hem heeft gesproken: “Er zit hier iemand in de zaal die vandaag 5.000 moet geven.” Dan begint een andere man te “roepen in de geest”, en iedereen valt om. Maar wat zegt God over mensen die in zijn naam spreken zonder dat Hij hen gestuurd heeft?
“Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.” Jeremia 23:16
“Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.” Jeremia 23:21
En over iemand die dacht dat hij de gave van de Heilige Geest met geld kon kopen, zei Petrus:
“Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt!” Handelingen 8:20
Je hoort de leider altijd precies op het moment van de collecte spreken. Je kunt het bijna uitrekenen. Op het moment dat de collectemand rondgaat, komt de voorganger naar voren en zegt hij dat de Heer vindt dat het niet genoeg is. Elke zondag opnieuw. Maar wat zegt de Bijbel over geven?
“Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.” 2 Korinthe 9:7
En kijk naar wat Jezus Christus zei over de weduwe die maar twee kleine muntjes gaf. Hij zei nergens dat ze meer moest geven:
“En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.” Markus 12:43-44
De Bijbel waarschuwt dat leiders voor al die zielen rekenschap zullen afleggen:
“Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.” Jakobus 3:1
“Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.” Hebreeën 13:17
Wie niet waarschuwt, maar zwijgt of liegt, terwijl mensen verloren gaan, krijgt dit te horen:
“Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.” Ezechiël 33:8
Je kunt als leider een luxe leven leiden, goed eten en drinken en de ontvangen gelden tellen. Maar je zult voor God staan, voor alle zielen die je hebt misbruikt en misleid:
“Gij hebt lekkerlijk geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uw harten gevoed als in een dag der slachting.” Jakobus 5:5
“En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elkeen naar zijn gewin, elk uit zijn einde.” Jesaja 56:11
Een echte dienaar van God is niet te koop. Er zijn mensen die grote bedragen en bondgenootschappen aangeboden kregen, onder de voorwaarde dat ze hun leer zouden aanpassen. Ze zeiden nee. Dat is het voorbeeld van de profeet Elisa, die het geschenk van een machtig man weigerde:
“Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien ik het neme! En hij hield bij hem aan, opdat hij het nam, doch hij weigerde het.”
2 Koningen 5:16
En Jezus Christus zelf zei tegen de duivel, die Hem alle koninkrijken van de wereld beloofde:
“Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid; En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden. Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.” Mattheüs 4:8-10
De Bijbel zegt:
“Koop de waarheid, en verkoop ze niet, mitsgaders wijsheid, en tucht, en verstand.” Spreuken 23:23
Soms is zo'n leider niet alleen. Het familiebedrijf is geen onbekend verschijnsel. De vader is voorganger, de moeder is penningmeester, de zoon is secretaris. Het geld blijft in de familie. Dat lijkt meer op een georganiseerd bedrijf dan op een kerkgemeente. De Bijbel zegt tegen de oudsten:
“Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewilliglijk; noch om vuil gewin, maar met een volvaardig gemoed; Noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde.” 1 Petrus 5:2-3
Het is niet nieuw. Denk aan Eli, de priester. Zijn zonen, Hofni en Pinehas, namen met geweld het beste vlees van de offers. Hun vader liet het gebeuren, en God zei over hem:
“Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials; zij kenden den HEERE niet. Want de wijze dier priesters met het volk was, dat, wanneer iemand een offerande offerde, des priesters jongen kwam, terwijl het vlees kookte, met een drietandigen krauwel in zijn hand; En sloeg in de teile, of in den ketel, of in de pan, of in den pot; al wat de krauwel optrok, dat nam de priester voor zich. Alzo deden zij aan al de Israelieten, die te Silo kwamen.”
1 Samuël 2:12-14
“Want Ik heb hem te kennen gegeven, dat Ik zijn huis rechten zal tot in eeuwigheid, om der ongerechtigheids wil, die hij geweten heeft; want als zijn zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zo heeft hij hen niet eens zuur aangezien.” 1 Samuël 3:13
Hier ligt ook een les voor ons in Nederland: een kerkgemeente die eerlijk is, is open over haar geld. Ze laat zien waar het naartoe gaat, met een jaarrekening, een controle van buitenaf en meerdere mensen die erop toezien, zodat niemand beschuldigd kan worden. Zo deed ook Paulus bij het inzamelen van een gave:
“Dit verhoedende, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed, die van ons wordt bediend; Als die bezorgen, hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere, maar ook voor de mensen.” 2 Korinthe 8:20-21
“Mijn voorganger werkt hard en verdient het.”
Dat klopt, en de Bijbel erkent dat ook. Wie in het Woord arbeidt, mag ervan leven:
“Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. Want de Schrift zegt: Een dorsenden os zult gij niet muilbanden; en: De arbeider is zijn loon waardig.” 1 Timotheüs 5:17-18
“Alzo heeft ook de Heere geordineerd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven.” 1 Korinthe 9:14
Maar dat is iets anders dan luxe en rijkdom. Paulus, die dit recht had, werkte toch zelf met zijn handen, om niemand tot last te zijn, en zei:
“Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding begeerd. En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben. Ik heb u in alles getoond, dat men, alzo arbeidende, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden van den Heere Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven, dan te ontvangen.” Handelingen 20:33-35
“Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging. Want wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen. Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn.” 1 Timotheüs 6:6-8
“Geef zaad en je krijgt het honderdvoudig terug.”
Zo'n belofte hoort bij het welvaartsevangelie. Maar Jezus Christus waarschuwde:
“En Hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u van de gierigheid; want het is niet in den overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen.” Lukas 12:15
“Raak Gods gezalfde niet aan. Kritiek is ongeloof.”
Dit is een van de meest gebruikte verdedigingen van leiders (1 Kronieken 16:22). Maar profeet Nathan ging naar koning David en zei: “Gij zijt die man” (2 Samuël 12:7), en Paulus wees Petrus publiekelijk terecht omdat hij niet recht wandelde (Galaten 2:11-14). En over leiders die blijven zondigen, zegt de Bijbel:
“Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreze mogen hebben.” 1 Timotheüs 5:20
Misbruik van macht en vertrouwen is ook in Nederland de afgelopen jaren in verschillende kerken aan het licht gekomen, soms met ernstige gevolgen voor kinderen en volwassenen. Het is geen wonder dat mensen daardoor het vertrouwen kwijt zijn. Jezus Christus sprak daar in zeer scherpe woorden over:
“Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.” Mattheüs 18:6
Wie een wasmachine koopt, stelt vragen. Hij vraagt naar de prijs, vergelijkt, leest wat anderen ervan vinden en kijkt naar de garantie. Maar als er iemand komt met een mooi verhaal over zijn leer en zijn gemeente, en vraagt om geld, stellen mensen opeens geen vragen meer. De Bijbel zegt:
“De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.” Spreuken 14:15
En Jezus Christus zei over het bouwen van een toren dat je eerst moet gaan zitten en de kosten berekenen (Lukas 14:28). Wie dat belangrijk vindt bij een toren, hoort dat nog veel belangrijker te vinden als het gaat om zijn eeuwige toekomst.
Eén gemeente in plaats van vele: Wie heeft de kerk gesticht?
Er zijn veel kerken, en je hoort vaak zeggen: “Ieder gelooft wat hij wil, diep van binnen zijn we allemaal één.” Wie heeft je dat verteld? De Bijbel zegt iets heel anders. Er is geen “meerdere soorten” godsdienst die allemaal van God komen. Jezus Christus zei:
“Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.” Johannes 14:6
En de apostelen zeiden:
“En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.” Handelingen 4:12
Dat is bepaald niet populair in een land als Nederland, waar tolerantie bijna een heilig woord is. Maar de Bijbel waarschuwt dat de weg die ons goed lijkt, niet altijd goed is:
“Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.” Spreuken 14:12
De tijd van de rechters werd daarom een tijd van chaos. Iedereen deed wat hij zelf goed vond:
“In die dagen was er geen koning in Israel; een iegelijk deed, wat recht was in zijn ogen.” Richteren 21:25
De belangrijkste vraag is dus niet welke kerk je prettig vindt, maar: ben je lid van de kerkgemeente die Jezus Christus zelf heeft gesticht? Hij zei:
“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” Mattheüs 16:18
Let op: Hij zegt “mijn gemeente”, in het enkelvoud. Hij heeft er één gebouwd, niet twintig. Dat is de gemeente waar de poorten van de hel niet tegen kunnen. Maar hoe zit het dan met al die bordjes en namen op de gebouwen? “Gesticht door bisschop zus-en-zo.” “Gesticht door dokter die-en-die.” Hoe kan een mens de stichter zijn van Gods gemeente? Dat kan niet. Er is maar één fundament en één hoofd:
“Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.” 1 Korinthe 3:11
“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” Kolossenzen 1:18
Paulus schreef aan een gemeente die zich in groepjes had verdeeld, ieder naar een eigen leider:
“En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus. Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of zijt gij in Paulus' naam gedoopt?” 1 Korinthe 1:12-13
Ook in Nederland kennen we gemeenten en kerkgenootschappen die naar een mens zijn genoemd, of die zich vooral herkennen aan de naam van een stichter of hervormer. Dat is geen belediging aan het adres van die mensen, maar een vraag: past dat bij wat Paulus hier zegt?
Hoe weet je dan of je in de gemeente bent die Jezus Christus bedoelde? Er zijn drie toetsen. Ten eerste moet wat je leert hetzelfde zijn als wat Jezus Christus en zijn apostelen leerden:
“En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.” Handelingen 2:42
Ten tweede moet wat je gelooft precies hetzelfde zijn als wat zij geloofden:
“Een lichaam is het, en een Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot een hoop uwer roeping; Een Heere, een geloof, een doop, Een God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen.” Efeze 4:4-6
Ten derde moet alles wat in de gemeente wordt toegelaten, voldoen aan wat Jezus Christus aan zijn apostelen heeft meegegeven:
“En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.”
Mattheüs 28:20
“Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijke, die erkenne, dat, hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn.” 1 Korinthe 14:37
Je kunt Jezus Christus niet horen zonder de apostelen te horen. Veel mensen zeggen: “Alleen wat Jezus Christus zelf zei, staat in rode letters, en daar houd ik mij aan.” Dat is een misvatting. Jezus Christus zelf zei tegen zijn apostelen:
“Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft.” Lukas 10:16
En Hij beloofde dat de Geest hen in alle waarheid zou leiden, ook in dingen die Hij toen nog niet kon zeggen:
“Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen. Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.” Johannes 16:12-13
De hele Schrift is door God ingegeven, niet alleen het gedeelte waar Jezus Christus in persoon aan het woord is:
“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;” 2 Timotheüs 3:16
“Ja, maar de Bijbel spreekt toch ook over gemeenten, in het meervoud?”
Dat klopt. De Bijbel noemt de gemeenten van Galatië en de zeven gemeenten in Klein-Azië (Galaten 1:2 en Openbaring 1:4). Dat zijn plaatselijke gemeenten: groepen gelovigen in een stad of streek. Maar het zijn niet verschillende kerken met verschillende leer. Zij horen bij één lichaam, met één geloof en één Heer. Paulus zegt:
“Want gelijk het lichaam een is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar een lichaam zijn, alzo ook Christus. Want ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot een Geest gedrenkt.” 1 Korinthe 12:12-13
Eenheid is dus niet hetzelfde als alles maar goedvinden. De Bijbel zegt:
“En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelve.” Romeinen 16:17
“Maar ik bid u, broeders, door den Naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt in een zelfden zin, en in een zelfde gevoelen.” 1 Korinthe 1:10
“Een lichaam heeft veel leden, dus we hoeven niet allemaal hetzelfde te geloven.”
Er is verscheidenheid in gaven en diensten, maar niet in leer. Dat is een belangrijk verschil.
Ben je Baptist, Gereformeerd, Katholiek, Lutheraan, Pinkstergelovige of iets anders? Dan zegt de Bijbel: neem je geloof mee naar de Bijbel, en kijk of je het er in kunt vinden. Als je het er niet in kunt vinden, waarom blijf je er dan aan vasthouden? Misschien zeg je: “Maar de Bijbel spreekt toch over Johannes de Doper?” Ja, maar zijn beroep was dopen. Dat is geen kerk of godsdienst. Johannes zei zelf:
“Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.” Johannes 1:8
“Hij moet wassen, maar ik minder worden.” Johannes 3:30
Als je zijn werk een godsdienst noemt, maak je een dwaas van hem. Hij wees niet naar zichzelf, maar naar Christus.
Ook titels zijn een bekend probleem. Jezus Christus zei tegen zijn leerlingen:
“Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders. En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Een is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is. Noch zult gij meesters genoemd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus.” Mattheüs 23:8-10
Toen een man zich voor Petrus neerboog, zei hij:
“En als het geschiedde, dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijn voeten, aanbad hij. Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mens.” Handelingen 10:25-26
Ook de titel “eerste dame/first lady” voor de vrouw van de voorganger, die in sommige kerken wordt gebruikt, staat nergens in de Bijbel. De eerste vrouw was Eva (Genesis 3:20), en haar kennen we als de moeder van alle levenden. En toch krijgen mensen deze titels, alsof zij boven anderen staan.
Er is nog een misverstand: je zou kunnen denken dat de ware gemeente er altijd voornamelijk uitziet. Maar vergeet niet dat Jezus Christus uit een eenvoudige plaats kwam, en dat mensen vroegen: kan er iets goeds uit Nazareth komen? Het antwoord van Filippus was eenvoudig:
“En Nathanael zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zeide tot hem: Kom en zie.” Johannes 1:47
God kiest niet wie in de ogen van de wereld groot is:
“Want gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen;” 1 Korinthe 1:26-27
“Mijn kerk is groot en bestaat al eeuwen, dus dat moet wel goed zijn.”
Maar Jezus Christus zei dat de brede weg naar het verderf leidt en dat velen die gaan (Mattheüs 7:13-14), en dat wat groot is voor mensen, een gruwel kan zijn voor God:
“En Hij zeide tot hen: Gij zijt het, die uzelven rechtvaardigt voor de mensen; maar God kent uw harten; want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God.” Lukas 16:15
“Ik ben als baby gedoopt, dus het zit wel goed.”
In Nederland zijn veel mensen als baby gedoopt of “gewijd”. Maar in het Nieuwe Testament komt eerst het geloof en de bekering, en daarna de doop in de naam van Jezus Christus:
“Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.” Markus 16:16
“En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.” Handelingen 2:38
Toen Paulus mensen ontmoette die al gedoopt waren, maar niet goed, liet hij hen opnieuw dopen (Handelingen 19:1-5). Het gaat dus niet om een ritueel, maar om gehoorzaamheid aan wat God heeft gezegd. Dat de doop in de naam van Jezus Christus gebeurt, en dat Mattheüs 28:19 spreekt over “de naam” in het enkelvoud, past hier ook bij.
Hoe sterk de waarheid mensen kan raken, bleek toen er een keer iemand van 105 jaar zich liet dopen in de naam van Jezus Christus. Waar de waarheid zonder omwegen wordt gebracht, is het hart soms nog erg open, ook bij iemand die al heel lang heeft geleefd.
“Het gaat om je hart, niet om de leer.”
Dat is een populaire gedachte, maar Paulus zegt tegen een jonge voorganger:
“Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult gij en uzelven behouden, en die u horen.” 1 Timotheüs 4:16
En Jezus Christus zegt dat niet iedereen die “Heere, Heere” zegt, het koninkrijk binnengaat (Mattheüs 7:21). Het hart en de leer horen bij elkaar. God moet in geest en waarheid worden aanbeden (Johannes 4:24).
Mensenwijsheid of Gods Woord: De grote waarschuwing
Hoe is het zover gekomen? De apostel Paulus waarschuwde de gelovigen al heel vroeg:
“Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;” Kolossenzen 2:8
Let op het eerste woord: Ziet toe! Dat is een waarschuwing. Het betekent: kijk uit, er gaat iets mis of het is al misgegaan. Wie moet je voor oppassen? “Dat niemand u wegvoere”, staat er. Wie is niemand? Dat kan je moeder zijn, je vader, je broer, je oom, je oma, je man of vrouw. Dat kan je oudste of je bisschop zijn, of je zogenaamde apostel. Niemand. Want het gaat niet om de persoon, maar om wat hij leert: wijsbegeerte en ijdele verleiding, naar de overlevering van mensen, en niet naar Christus.
Het woord dat Paulus hier gebruikt, betekent dat je als buit wordt meegenomen. Wie zich laat meeslepen door mensenwijsheid, wordt van de waarheid beroofd, vaak zonder het te merken. Daarom zegt Paulus ook dat hij en de andere apostelen niet spreken met woorden die menselijke wijsheid leert:
“Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.” 1 Korinthe 2:13
Dat geldt ook voor ons. Als wij spreken, spreken wij niet met woorden die uit onze eigen wijsheid komen. We vergelijken geestelijke dingen met geestelijke dingen: wat we horen, leggen we naast wat er geschreven staat. Dat is de manier om te weten of je in de kerkgemeente bent die Jezus Christus bouwde.
Een groot probleem in de kerk is leer die van geslacht op geslacht wordt doorgegeven. De bisschop heeft het van zijn bisschop, die het weer van zijn bisschop had. Eindeloos veel overgeleverde leer, waarvan veel nooit in de Bijbel heeft gestaan. Maar Petrus zei:
“Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is;” 1 Petrus 1:18
En Jezus Christus zei tegen de godsdienstige leiders van zijn tijd:
“Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden zijn der mensen; Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, als namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele. En Hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden.” Markus 7:7-9
Hoeveel dingen worden in kerken geleerd en gedaan die nooit in de Bijbel hebben gestaan? Mensen spreken in een of andere toengentaal, springen rond, schreeuwen en vallen om, en niemand kan zeggen waar dat in de Bijbel staat.
Maar let op: dit is geen afwijzing van de Heilige Geest. De Bijbel kent de gave van talen, waarbij mensen elkaar in hun eigen taal hoorden spreken (Handelingen 2:4-8). Alleen is er altijd orde en uitleg:
“Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen.” 1 Korinthe 14:33
“Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.” 1 Korinthe 14:40
En Paulus zegt: “Dooft den Geest niet uit... beproeft alles, behoudt het goede” (1 Thessalonicenzen 5:19-21). Dat beproeven is geen ongeloof, maar gehoorzaamheid.
Vier voorbeelden van mensenleer die jarenlang is verteld, maar die de Bijbel niet zegt, zijn deze.
Ten eerste: de indeling van de profeten in “grote” en “kleine” profeten. Dat is een menselijke indeling. De Bijbel zegt alleen dat God sprak door de mond van zijn heilige profeten:
“Gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn;” Lukas 1:70
Ten tweede: het idee dat er precies vierhonderd jaar volledige stilte zou zijn geweest, waarin God niets zei en niemand sprak. Dat staat nergens zo in de Bijbel. Sterker nog, vlak voor de komst van Jezus Christus zien we weer profeterende mensen:
“En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met den Heiligen Geest, en profeteerde, zeggende:” Lukas 1:67
“En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de vertroosting Israels, en de Heilige Geest was op hem. En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Heeren zou zien.” Lukas 2:25-26
Ten derde: dat de apostel Paulus onder keizer Nero is gestorven, en hoe. De Bijbel beschrijft zijn dood niet. Paulus zelf zegt alleen dat zijn tijd nabij is:
“Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geeindigd, ik heb het geloof behouden;” 2 Timotheüs 4:6-7
Het boek Handelingen eindigt zelfs voordat het over zijn dood gaat (Handelingen 28:30-31).
Ten vierde: dat de apostel Johannes zou zijn gestorven in een ketel met kokende olie, in het jaar 96. Dat staat evenmin in de Bijbel. Wat er wel staat, is dat Johannes op het eiland Patmos was:
“Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en medegenoot in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het Woord Gods, en om de getuigenis van Jezus Christus.” Openbaring 1:9
Al deze verhalen zijn zo vaak herhaald dat mensen ze voor Bijbelwaarheid houden. Dat werkt omdat veel gelovigen de Bijbel zelf niet goed kennen. De Bijbel zegt:
“Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; dewijl gij de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen, dat gij Mij het priesterambt niet zult bedienen; dewijl gij de wet uws Gods vergeten hebt, zal Ik ook uw kinderen vergeten.” Hosea 4:6
“Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en deszelfs heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst.”
Jesaja 5:13
Daarom is het zo belangrijk om zelf te lezen en te onderzoeken. De mensen in Berea deden dat, en ze werden daarvoor geprezen:
“En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” Handelingen 17:11
Wat de Bijbel niet zegt, mogen wij er niet bijvoegen. Die waarschuwing komt niet één keer voor, maar op meer plaatsen:
“Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen. Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.” Spreuken 30:5-6
“Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn. En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.” Openbaring 22:18-19
Johannes zegt dat we de geesten moeten beproeven, en Paulus schrijft dat de gelovigen dezelfde geest des geloofs hebben, dus dat wat zij geloven overeen moet komen met wat de apostelen geloofden:
“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.” 1 Johannes 4:1
“Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook;”
2 Korinthe 4:13
Wat maakt iemand tot predikant? Niet een diploma, maar de roeping van God. Een school kan kennis geven, maar maakt nog geen dienaar van God. De Bijbel noemt een veehoeder en eenvoudige vissers die als ongeleerde mensen werden beschouwd:
“Toen antwoordde Amos, en zeide tot Amazia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af. Maar de HEERE nam mij van achter de kudde; en de HEERE zeide tot mij: Ga henen, profeteer tot Mijn volk Israel.” Amos 7:14-15
“Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en slechte mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.” Handelingen 4:13
Prediken is een gave van God:
“En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus;”
Efeze 4:11-12
“Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging der handen des ouderlingschaps.” 1 Timotheüs 4:14
En als God je in een situatie brengt waarin je moet spreken, hoef je niet bang te zijn dat je niet weet wat je moet zeggen. Jezus Christus zei tegen zijn apostelen:
“Doch wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult. Want gij zijt het niet, die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, Die in u spreekt.” Mattheüs 10:19-20
Let wel: Jezus Christus sprak hier over het moment waarop zijn volgelingen voor rechters en bestuurders zouden moeten verschijnen. Het principe is wel breder: de Geest geeft de woorden. Dat betekent niet dat voorbereiding verkeerd is. Paulus zelf was een geleerd man (Handelingen 22:3), en toch kwam hij niet met “uitnemendheid der woorden of der wijsheid” (1 Korinthe 2:1-5). Hij spoorde Timotheüs aan:
“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” 2 Timotheüs 2:15
“Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leren, totdat ik kome.” 1 Timotheüs 4:13
De hoofdzaak is niet of een predikant studeert, aantekeningen heeft of zijn tekst vooraf opschrijft. De hoofdzaak is: komt wat hij brengt uit God of uit de mens? Zelfs Apollos, “machtig zijnde in de Schriften”, liet zich nog beter onderwijzen door anderen (Handelingen 18:24-26). Dat is nederigheid. Een preek die vooral een optreden is, met een scherm waarop de hele tekst al klaarstaat en muziek die de plaats van het Woord inneemt, mist de kracht. Muziek is mooi en Bijbels (Psalm 150:3-5), maar nooit een vervanging van het Woord.
Er is nog iets wat in kerken niet mag ontbreken: de bereidheid om vragen te stellen. Je hoort dat valse leraren zeggen: “Je mag God niet in twijfel trekken, geloof maar.” Maar wie zegt dat? Dat staat niet in de Bijbel. God nodigt zelfs uit:
“Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.” Jesaja 1:18
“En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden.” Jakobus 1:5
Natuurlijk is er ook een andere kant. Als iemand God hooghartig tegenspreekt of Hem beschuldigt, wijst Paulus hem terecht:
“Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengene, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt?”
Romeinen 9:20
Een eerlijke vraag uit zoeken is heel wat anders dan opstandigheid. Maar het hoort ook bij gehoorzaamheid om te controleren of wat een mens zegt, klopt met God.
“Dat hebben wij altijd zo gedaan.” Of: “Dit heeft mijn opa mij geleerd.”
Dat is begrijpelijk, maar het is geen argument. God zei al via de profeet:
“Maar Ik zeide tot hun kinderen in de woestijn: Wandelt niet in de inzettingen uwer vaderen, en onderhoudt hun rechten niet, en verontreinigt u niet met hun drekgoden. Ik ben de HEERE, uw God, wandelt in Mijn inzettingen, en onderhoudt Mijn rechten, en doet dezelve.” Ezechiël 20:18-19
“Maar Paulus zegt toch dat we de overleveringen moeten vasthouden?”
Dat klopt (2 Thessalonicenzen 2:15). Maar kijk wel wat hij met “overleveringen” bedoelt:
“Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief.” 2 Thessalonicenzen 2:15
Het gaat om wat de apostelen leerden, mondeling of schriftelijk. Dat hebben wij nu in het Nieuwe Testament. Dat is iets anders dan wat mensen later hebben verzonnen. Jezus Christus veroordeelde dat laatste (Mattheüs 15:3-9).
“De Bijbel is verouderd en past niet meer bij deze tijd.”
Jezus Christus zei:
“De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.” Mattheüs 24:35
En Petrus:
“Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid des mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen; Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.” 1 Petrus 1:24-25
“De Bijbel is te moeilijk. Laat de dominee het maar uitleggen.”
Uitleg is goed. Toen Ezra de wet voorlas, gaven de Levieten er uitleg bij (Nehemia 8:8). Maar dat ontslaat niemand van het eigen onderzoek:
“De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.” Psalm 119:130
Feesten en gebruiken: Wat God nooit heeft geboden
Een van de duidelijkste voorbeelden van mensenleer vind je in de feesten en gebruiken die in de kerk zijn gekomen. Dat Jezus Christus is geboren, is een feit en een reden tot grote blijdschap:
“En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids.” Lukas 2:10-11
Maar de Bijbel noemt nergens de datum van zijn geboorte. De 25e december, het kerstfeest, de kerstliederen, de kerstspelen, de kerkkoren in rode en groene gewaden, de beelden van Maria met het kind in de tuin van de kerk: dat alles staat niet in de Bijbel, en de apostelen hebben het niet gedaan of geleerd. Het is overgenomen uit gebruiken van volken die God niet kenden. De Bijbel waarschuwt hier juist voor:
“Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten. Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl. Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele.” Jeremia 10:2-4
En ook:
“Wacht u, dat gij niet verstrikt wordt achter hen, nadat zij voor uw aangezicht zullen verdelgd zijn; en dat gij niet vraagt naar hun goden, zeggende: Gelijk als deze volken hun goden gediend hebben, alzo zal ik ook doen. Gij zult alzo niet doen den HEERE, uw God; want al wat den HEERE een gruwel is, dat Hij haat, hebben zij hun goden gedaan; want zij hebben ook hun zonen en hun dochteren met vuur verbrand voor hun goden. Al dit woord, hetwelk ik ulieden gebiede, zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen.” Deuteronomium 12:30-32
Als je Gods Woord echt gelooft, kun je niet zomaar meedoen aan wat de wereld doet en er een christelijk jasje aan hangen. Over beelden zegt de Bijbel, en let op dat dit ook voor beelden van Maria geldt:
“Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;” Exodus 20:4-5
“Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;” 1 Timotheüs 2:5
In Nederland komt hier nog iets bij. Veel kinderen groeien op met het verhaal dat Sinterklaas op een paard over de daken rijdt en door de schoorsteen komt, of met de kerstman die cadeaus brengt. Ze zetten hun schoen, zingen liedjes en schrijven brieven. Ouders doen dat uit liefde en gezelligheid, en dat willen we niet kleinmaken. Maar er is een vraag: wat leren we kinderen over de waarheid?
De Bijbel vraagt ouders om hun kinderen de waarheid te leren, en wat wij zeggen moet waar zijn:
“En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn. En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat.” Deuteronomium 6:6-7
“Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden.” Efeze 4:25
Een ouder die zijn kind liefheeft, vertelt het niet dat er een man door de schoorsteen komt als dat niet zo is. Wie zijn kinderen de waarheid leert, geeft hun iets waar ze hun hele leven op kunnen bouwen. En er is geen grotere vreugde voor een ouder dan dit:
“Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.” 3 Johannes 1:4
“Het is toch gewoon gezellig? Het is voor de kinderen!”
Dat is het belangrijkste excuus. Maar in de Bijbel zie je een gevaarlijk patroon: het volk maakte een gouden kalf en riep daarna uit: “Morgen zal het een feest des HEEREN zijn” (Exodus 32:5). Ze meenden God te eren, maar ze deden het op hun eigen manier. Later bedacht koning Jerobeam zelf een feestdag in een maand die hij uit zijn eigen hart had verzonnen (1 Koningen 12:32-33). Dat God niet heeft geboden, kunnen wij niet in zijn naam doen:
“Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, doch hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmede zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn;” Jesaja 29:13
“Maar we vieren toch de geboorte van Jezus Christus?”
God zoekt aanbidders die Hem dienen zoals Hij het wil:
“God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.” Johannes 4:24
“Paulus zegt toch dat de ene dag belangrijker mag zijn dan de andere?”
Dat zegt hij inderdaad (Romeinen 14:5-6), en hij zegt ook dat we elkaar daarin niet moeten veroordelen:
“Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feest dags, of der nieuwe maan, of der sabbatten; Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.” Kolossenzen 2:16-17
Dat laatste nemen we serieus. Wij willen niemand uitschelden of verguizen die anders denkt. Maar tegelijk geldt wat Paulus ook schrijft: beproef wat de Heer welbehaaglijk is, en neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis (Efeze 5:10-11). Waarheid in liefde, dus.
Heiligheid: Een leven dat past bij wat je belijdt
Hoe komt het dat zoveel mensen in de kerk zitten en toch leven als de wereld? Ze zijn “beroofd” door mensenwijsheid, zoals we zagen. Ze willen niet meer heilig leven. Ze willen graag christen zijn, maar dan wel rokend, gokkend, met een glaasje te veel op, met kaarten, dobbelstenen en alle gebruiken van de wereld. Maar God zegt:
“Maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelven heilig in al uw wandel; Daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.” 1 Petrus 1:15-16
“Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;” Hebreeën 12:14
De Bijbel maakt geen lijst van elk wapenfeit, maar ze geeft wel een maatstaf. Ons lichaam is een tempel van de Heilige Geest:
“Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt? Want gij zijt duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.” 1 Korinthe 6:19-20
In Nederland is dat heel concreet. Roken, overmatig drinken en gokken (de loterij, het casino, online gokken en sportweddenschappen) zijn gewoon geworden, ook onder gelovigen. De Bijbel geeft hier een wijze maatstaf:
“Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geen mij laten brengen.” 1 Korinthe 6:12
“Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.” 1 Korinthe 10:31
Dat geldt zeker voor kansspelen. De Bijbel zegt erover dat wie snel rijk wil worden, in verleiding en strikken valt (1 Timotheüs 6:9-10), en ook:
“Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.” Spreuken 13:11
“We leven onder de genade, dus God is niet zo streng.”
Maar Paulus vraagt:
“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” Romeinen 6:15
“Iedereen doet het toch?”
Dat is geen argument voor God:
“Gij zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in een twistige zaak, dat gij u neigt naar de menigte, om het recht te buigen.” Exodus 23:2
“En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.” Romeinen 12:2
Er is een goed beeld om te begrijpen wat er gebeurt. Neem een kind dat nooit regels heeft gekregen. Het hoeft zijn handen niet te wassen voor het naar de koelkast gaat. Het mag met schoenen aan over de bank rennen en zonder “pardon” over mensen heen stappen. Het hoeft nooit “alsjeblieft” of “dank je wel” te zeggen, en het wordt nooit bijgestuurd. Als dat kind dan bij opa en oma op bezoek komt, waar wel duidelijke regels gelden, ontstaan problemen. Het kan er niet tegen. Zo zijn veel kerken: als jonge, onervaren ouders die kinderen opvoeden. Geen discipline, geen aanwijzingen, geen richtlijnen. Alles is vrijblijvend. En dat is niet wat de Bijbel bedoelt:
“De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.” Spreuken 29:15
“En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn.” Hebreeën 12:11
Ook Eli, de priester, bestrafte zijn zonen niet toen zij kwaad deden. Daarom zei God:
“Want Ik heb hem te kennen gegeven, dat Ik zijn huis rechten zal tot in eeuwigheid, om der ongerechtigheids wil, die hij geweten heeft; want als zijn zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zo heeft hij hen niet eens zuur aangezien.” 1 Samuël 3:13
Let op: in Nederland is lichamelijke straf in de opvoeding bij wet verboden. Als gelovigen zijn wij gehoorzaam aan de overheid (Romeinen 13:1). Dat neemt niet weg dat opvoeden iets anders is dan alles laten gaan. Het woord “tucht” betekent in de Bijbel opvoeden, bijsturen en leiden, met liefde en duidelijkheid. Een vader is daarom geroepen om zijn kinderen in “de tucht en vermaning des Heeren” op te voeden (Efeze 6:4).
Dat geldt ook voor de gemeente. Jezus Christus gaf een duidelijke weg voor als iemand zondigt:
“Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen. Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta. En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.” Mattheüs 18:15-17
En Paulus gaf aanwijzingen voor de gemeente om iemand die blijft zondigen niet in de gemeente te houden:
“Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat gij met zodanig een ook niet zult eten. Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn? Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij deze boze uit ulieden weg.”
1 Korinthe 5:11-13
Jezus Christus keurt zelfs een gemeente af omdat ze iemand tolereerde die verkeerde leer bracht (Openbaring 2:20). Ze deed niets, ook al meende ze misschien dat ze lief was. Tucht, orde en duidelijke regels horen er dus bij. Zonder regels doet iedereen zijn eigen zin. Maar de Bijbel zegt:
“Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.” 1 Korinthe 14:40
Trouw aan God of aan de organisatie?
Een van de moeilijkste vragen voor een gelovige is: wie ben ik meer trouw, God of mijn kerkelijke organisatie? Want als Gods Woord ingaat tegen wat jouw organisatie leert, moet je kiezen. Jozua zei:
“Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!” Jozua 24:15
En Elia vroeg het volk:
“Toen naderde Elia tot het ganse volk, en zeide: Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Zo de HEERE God is, volgt Hem na, en zo het Baal is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet een woord.” 1 Koningen 18:21
Veel mannen durven niet voor Gods Woord op te komen omdat ze bang zijn voor de reactie van hun bisschop of hun organisatie. Maar dat is niet de ergste straf. Wie het voor God opneemt, kan zelfs in de gevangenis belanden. De Bijbel zegt:
“Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar om der Farizeen wil beleden zij het niet; opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden. Want zij hadden de eer der mensen lief, meer dan de eer van God.” Johannes 12:42-43
“De siddering des mensen legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal in een hoog vertrek gesteld worden.” Spreuken 29:25
En de apostelen zeiden het eenvoudig:
“Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen.” Handelingen 5:29
Wie de Bijbel uitlegt zoals ze er staat, merkt dat sommige dingen in conflict zijn met zijn organisatie. Dat is geen toeval: God is niet gediend met compromissen. Jezus Christus zei over zijn eigen leer:
“Jezus antwoordde hun, en zeide: Mijn leer is Mijne niet, maar Desgenen, Die Mij gezonden heeft.” Johannes 7:16
Dat is hetzelfde als wat een echte dienaar zegt: dit is niet mijn leer, maar die van God. Hij laat zich niet kopen en niet bijsturen, ook niet als hem veel geld wordt geboden.
“Maar we moeten onze leiders toch gehoorzamen?”
Dat staat inderdaad in de Bijbel (Hebreeën 13:17). Maar kijk ook naar wat er een paar verzen eerder staat:
“Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling.” Hebreeën 13:7
Gehoorzaamheid aan leiders is dus gekoppeld aan het feit dat zij het Woord van God spreken. Wanneer ze dat niet doen, geldt: “Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den mensen.”
Wie spreekt in de naam van God, zal rekenschap afleggen voor wat hij heeft gezegd en voor hoe hij de gemeente heeft geleid:
“Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.” Mattheüs 12:36
“Daarom betuig ik ulieden op deze huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen. Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods.” Handelingen 20:26-27
Hoe de kerk haar eer kan terugkrijgen
Het is niet alleen maar kommer en kwel. De Bijbel laat zien dat de wereld respect kan hebben voor een gemeente die heilig leeft. In de eerste kerk werd oneerlijkheid streng aangepakt (Handelingen 5:1-11). Het gevolg was dat het volk veel van de gelovigen maakte:
“En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting.” Handelingen 5:13
“En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten; En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.” Handelingen 2:46-47
En toen koning Darius zag hoe Daniël leefde, zonder één verwijt, zei hij tot het hele rijk dat de God van Daniël een levende God is (Daniël 6:4-5, Daniël 6:26). Een consequent leven maakt indruk, ook in een samenleving die zegt dat het allemaal niet uitmaakt.
Daarom is er maar één weg terug. Niet meer geld, geen betere muziek, geen nieuwe methoden, maar bekering. Jezus Christus sprak tot de gemeente van Efeze, die werk deed maar haar eerste liefde was verlaten, en tot Laodicea, die lauw was en meende rijk te zijn:
“Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten. Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastelijk bij komen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert.”
Openbaring 2:4-5
“Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u. Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.” Openbaring 3:19-20
Merk op dat deze uitnodiging aan een kerkgemeente wordt gericht. De Heer staat aan de deur, bij zijn eigen kerk. Wij kunnen ons dus niet afvragen: “Wanneer verandert de wereld?” De vraag is: “Wanneer veranderen wij?” God belooft:
“En Mijn volk, over dewelken Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen; zo zal Ik uit den hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land genezen.” 2 Kronieken 7:14
Daar hoort ook nederigheid bij. Wie anderen veroordeelt zonder naar zichzelf te kijken, lijkt op de Farizeeër in Jezus' gelijkenis (Lukas 18:9-14). Wie een ander wil terechtbrengen, doet dat in zachtmoedigheid, wetend dat hij zelf ook verzocht kan worden (Galaten 6:1). En wie meent te staan, moet oppassen dat hij niet valt (1 Korinthe 10:12).
Het is ook niet zo dat iedere kerk of iedere leider slecht is. Er zijn oprechte gelovigen en eerlijke herders. Toen Elia dacht dat hij alleen over was, zei God:
“Ook heb Ik in Israel doen overblijven zeven duizend, alle knieen, die zich niet gebogen hebben voor Baal, en allen mond, die hem niet gekust heeft.” 1 Koningen 19:18
En Petrus sprak tot de oudsten die hun werk goed doen, over de kroon die zij zullen ontvangen (1 Petrus 5:1-4). Dat geeft hoop. Het gaat er niet om de kerk te verwerpen, maar om haar terug te brengen bij wat God wil.
Een toets voor je eigen kerk
Hoe weet je of de kerkgemeente waar je komt, past bij wat de Bijbel beschrijft? Stel jezelf de volgende vragen, en lees zelf de teksten na:
Komt wat er wordt geleerd overeen met wat Jezus Christus en de apostelen leerden, en kun je het zelf in de Bijbel nalezen? (Handelingen 17:11; Handelingen 2:42)
Wordt zonde bij de naam genoemd, en wordt er opgeroepen tot bekering? (Handelingen 2:38; Lukas 24:47)
Gaat men eerlijk, open en zonder druk om met geld? (2 Korinthe 9:7; 2 Korinthe 8:20-21)
Leven de leiders wat ze prediken, ook in hun gezin? (1 Timotheüs 3:2-5; 1 Petrus 5:3)
Wordt er niets als leer gebracht wat de Bijbel niet zegt? (Spreuken 30:5-6)
Is er orde en tucht in liefde? (1 Korinthe 14:40; Mattheüs 18:15)
Mag je vragen stellen en alles onderzoeken? (1 Thessalonicenzen 5:21; Handelingen 17:11)
Zijn de gewoonten die men viert en doet, gegrond op wat God heeft gezegd? (Markus 7:7-9)
Een uitnodiging
Wij weten dat dit pittige woorden zijn. We zeggen ze niet uit haat, maar uit liefde voor God en voor mensen. Als kerkgemeente De Waarheid Gods willen wij ons zelf ook laten toetsen aan hetzelfde Woord. Controleer dus alles wat hier staat. Neem je Bijbel, lees de teksten na en kijk of het zo is, net als de mensen in Berea. Jezus Christus zei:
“En gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.” Johannes 8:32
En in zijn gebed voor zijn leerlingen zei Hij:
“Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.” Johannes 17:17
De wereld heeft respect voor wat echt is. Laten we daarom terugkeren naar het Woord: de enige weg naar een kerk die God eert en die door mensen weer serieus wordt genomen.

Opmerkingen