Zit je in de kerk van God of in de kerk van de duivel?
Jezus Christus zegt dat Hij zijn kerk bouwt. Dan is de vraag niet of jouw kerk gezellig, groot of oud is. De vraag is of wat er in jouw kerk geleerd wordt ook in de Bijbel staat. Staat het er niet in, dan zegt de Bijbel zelf waar je dan zit.
Jezus bouwt één kerk
Jezus Christus zei dat Hij zijn gemeente zou bouwen op de rots, en dat de poorten van de hel haar niet zouden overweldigen (Mattheüs 16:18). Het is dus zijn kerk. Hij heeft haar niet door mensen laten verzinnen. Het begon op de dag van Pinksteren in Jeruzalem, toen de Heilige Geest werd uitgestort en de eerste mensen werden gedoopt en aan de gemeente werden toegevoegd (Handelingen 2:1-4, 41-47). Paulus schrijft dat er één lichaam is, één Geest, één Heer, één geloof en één doop (Efeziërs 4:4-6). Dat past bij de woorden van Jezus Christus dat Hij één kerk bouwt, geen verzameling van honderden.
Wie wil weten of hij in die kerk zit, kan één ding doen: kijken of de leer van zijn kerk in de Bijbel staat. Staat de leer van jouw kerk in de Bijbel, dan is het Gods kerk. Maar dan moet het ook allemaal in de Bijbel staan. Dat is geen streng extraatje van ons. De Bijbel zegt het zelf.
God zegt tegen Israël dat ze niets mogen toevoegen aan zijn woord en niets mogen afdoen (Deuteronomium 4:2; 12:32). Het boek Spreuken waarschuwt dat wie iets toevoegt aan Gods woorden een leugenaar blijkt (Spreuken 30:5-6). De Bijbel eindigt zelfs met dezelfde waarschuwing: wie iets toevoegt of afdoet, krijgt te maken met de plagen die in het boek staan (Openbaring 22:18-19). Het volk van de profeet Jesaja kreeg de opdracht alles te toetsen aan de wet en de getuigenis (Jesaja 8:20). En de mensen uit Berea worden edel genoemd, omdat ze elke dag in de Schriften onderzochten of wat Paulus zei wel zo was (Handelingen 17:11).
Denk aan het rijexamen. Als je “bijna alles” goed doet, maar je rijdt door een rood licht, dan slaag je niet. Niemand zegt dan: “De examinator is wel erg streng.” Het examen heeft regels, en die gelden helemaal. Zo is het ook met de leer. “Bijna alles staat in de Bijbel” is niet genoeg als er iets in je kerk wordt geleerd dat de Bijbel niet leert.
Wat de Bijbel een kerk van de duivel noemt
Het woord is hard, en we gebruiken het niet lichtvaardig. Maar we verzinnen het niet. Jezus Christus zelf spreekt in het boek Openbaring over mensen die zeggen dat ze bij Gods volk horen en het niet zijn, “een synagoge van de satan” (Openbaring 2:9; 3:9). Dat zegt Hij tegen groepen die gewoon samenkwamen om God te dienen.
Hoe kan dat? Paulus legt het uit. Satan verandert zichzelf in een engel van het licht, en zijn dienaren doen zich voor als dienaren van de gerechtigheid (2 Korinthe 11:13-15). Een kerk van de duivel ziet er dus niet griezelig uit. Ze ziet er godsdienstig uit. Paulus noemt dat “een vorm van godsvrucht” zonder de kracht ervan (2 Timotheüs 3:5). Er is een kruis, er zijn liederen, er is een preek, en toch klopt de leer niet.
Jezus Christus zegt hetzelfde over de godsdienstige leiders van zijn tijd. Ze eerden Hem met de lippen, maar hun hart was ver van Hem. Hun dienst was “tevergeefs”, omdat ze leringen leerden die mensengeboden waren (Mattheüs 15:8-9; Markus 7:6-9). En niet iedereen die “Heer, Heer” zegt, zal het koninkrijk binnengaan, maar wie de wil van de Vader doet (Mattheüs 7:21-23). Kort gezegd: de Bijbel meet een kerk niet aan haar naam, haar grootte of haar gevoel, maar aan haar leer.
Als jouw kerk dingen leert of toestaat die de Bijbel niet leert, of dingen verbiedt of weglaat die de Bijbel wel leert, dan zegt de Bijbel zelf dat Gods woord daar niet het laatste woord heeft. Dan zit je niet in de kerk die Jezus Christus bouwt.
"Oordeel niet", mag je dit dan zeggen?
Hier komt meteen de eerste tegenwerping: “Staat er niet dat je niet mag oordelen?” Jezus Chrsitus zegt inderdaad: oordeel niet, opdat u niet geoordeeld wordt (Mattheüs 7:1). Maar dezelfde Jezus Christus zegt in datzelfde hoofdstuk even verderop: hoed u voor valse profeten, en u zult hen aan hun vruchten kennen (Mattheüs 7:15-20). Het kan dus niet zo zijn dat Hij elke beoordeling verbiedt. Hij zegt zelf: oordeel niet naar het uiterlijk, maar oordeel een rechtvaardig oordeel (Johannes 7:24).
Zo komen de verzen met elkaar in harmonie. Het verbod in Mattheüs 7:1 gaat over hypocriet, zelfingenomen oordelen, zoals iemand die een splinter in een ander ziet en zelf een balk heeft (Mattheüs 7:3-5). Het gaat niet over het toetsen van leer aan het Woord. Daarvoor geeft de Bijbel juist opdrachten:
Beproef de geesten of ze uit God zijn, want er zijn veel valse profeten in de wereld gekomen (1 Johannes 4:1).
Heb geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, maar bestraf ze veeleer (Efeziërs 5:11).
Let op hen die tweedracht en ergernis veroorzaken tegen de leer die u geleerd hebt, en keer u van hen af (Romeinen 16:17-18).
Wie niet in de leer van Christus blijft, heeft God niet. Neem zo iemand niet in huis en groet hem niet (2 Johannes 9-11).
Zelfs als een engel uit de hemel een ander evangelie zou brengen dan wij gebracht hebben, die zij vervloekt (Galaten 1:8-9).
Ga uit van haar, mijn volk, om niet deel te hebben aan haar zonden (Openbaring 18:4; zie ook 2 Korinthe 6:17).
De geestelijke mens beoordeelt alle dingen (1 Korinthe 2:15).
Is dat liefdeloos? Nee. De Bijbel zegt dat de waarheid spreken in liefde hoort bij groeien naar Christus toe (Efeziërs 4:15). De slagen van een vriend zijn welgemeend (Spreuken 27:6). Een wachter die niet waarschuwt, is verantwoordelijk voor het bloed van wie omkomt (Ezechiël 3:18-19). En wie anderen uit het vuur wil rukken, doet dat uit liefde (Judas 22-23). Paulus vroeg de Galaten zelfs: ben ik dan uw vijand geworden, omdat ik u de waarheid zeg? (Galaten 4:16)
Wie dit zegt, wordt vaak ouderwets genoemd. Dat is niets nieuws. God roept zijn volk op te vragen naar de oude paden en daarop te gaan (Jeremia 6:16). En Jezus Christus zei dat de wereld zijn volgelingen zou haten zoals ze Hem had gehaat (Johannes 15:18-20). Dat dit niet bij de tijd zou zijn, klopt niet: Gods Woord is niet verouderd, want de hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar zijn woorden niet (Mattheüs 24:35). Wie zijn Bijbel kent, weet bovendien wat de tegenstander doet, want wij zijn zijn bedoelingen niet onbekend (2 Korinthe 2:11).
Waarom zoveel kerken hierover zwijgen
Het is een goede vraag: als dit allemaal in de Bijbel staat, waarom hoor je het dan zo zelden in de kerk? Het antwoord is eenvoudig. Een prediker hoort te preken wat er geschreven staat. Meer niet, en minder ook niet. Paulus zegt tegen Timotheüs: predik het Woord, wees er bij tijd en onbij tijd mee bezig, weerleg, bestraf en vermaan (2 Timotheüs 4:2). Als de kerk dat niet doet, komt dat doordat ze iets anders wil horen.
De Bijbel voorspelt dat precies. Er komt een tijd dat men de gezonde leer niet zal verdragen, maar naar eigen begeerten leraars zal opstapelen, omdat de oren jeuken. Men zal zijn oren van de waarheid afkeren (2 Timotheüs 4:3-4). Bij Jesaja zeggen de mensen tegen de profeten: profeteer ons geen rechte dingen, spreek ons vleiende woorden (Jesaja 30:10). En Paulus zegt: als ik nog mensen behaagde, zou ik geen dienaar van Christus zijn (Galaten 1:10).
“Als we dit zo preken, lopen de mensen weg.”
Dat gebeurde ook bij Jezus Christus. Toen Hij een harde leer bracht, gingen veel van zijn leerlingen weg. Hij veranderde zijn boodschap niet, maar vroeg aan de twaalf: wilt u ook weggaan? (Johannes 6:66-67) Een kerk die de waarheid inlevert om vol te blijven, kiest voor mensen in plaats van voor God. Spreuken zegt dat de vrees voor mensen een strik legt (Spreuken 29:25).
“God is liefde. Dat is genoeg, de rest is bijzaak.”
God is inderdaad liefde (1 Johannes 4:8). Maar Jezus Christus zegt: als u Mij liefhebt, onderhoud dan mijn geboden (Johannes 14:15). En Johannes schrijft dat dit de liefde tot God is: dat wij zijn geboden bewaren (1 Johannes 5:3). Liefde en gehoorzaamheid staan dus niet tegenover elkaar. Mijn volk gaat te gronde door gebrek aan kennis, zegt God (Hosea 4:6).
Kleding en opvoeding
Een van de eerste dingen die je in veel kerken ziet, is hoe vrouwen en meisjes gekleed gaan. Wat zegt de Bijbel? Paulus schrijft dat vrouwen zich moeten tooien met een eerbare kleding (1 Timotheüs 2:9). Eerbaar betekent niet: zo opvallend en uitdagend als mogelijk. Dat betekent: geen split tot ver boven de knie, geen diepe halslijn, geen rug bloot en geen kleding die elke vorm van het lichaam laat zien.
Denk aan een gewone zomerdag in Nederland, aan het strand, op een festival of in het centrum van een grote stad. Veel kleding laat nauwelijks iets over. Dat is een zichtbare keuze, ook voor meisjes van twaalf of dertien. Spreuken noemt een vrouw met “hoerenkleding” (Spreuken 7:10), en God spreekt de hoogmoedige dochters van Sion aan op hun uiterlijke vertoon (Jesaja 3:16-24).
Drie generaties in één gezin, oma, moeder en dochter, alle drie in een kort rokje. En oma loopt met een wandelstok en een gehoorapparaat. Of drie generaties met een pruik. Niemand vindt het vreemd, want iedereen volgt dezelfde mode. Juist dat is het punt: als niemand meer vraagt wat God ervan zegt, gaat de mode de regels bepalen.
Of kijk naar een kind van vijf met gaatjes in de oren, een meisje van negen met lippenstift, en een dochter van twaalf met opgemaakte ogen en korte kleding op weg naar de kerk. En dat terwijl de ouders zeggen: “Ze wil het graag, dus ik laat het maar.” Of mensen die in pyjama, op sloffen en met haarrollers over Schiphol lopen, zonder schaamte, alsof het niets uitmaakt hoe ze eruitzien.
Wat God over de dochters zegt
Het boek Leviticus geeft een duidelijke opdracht aan vaders en moeders: ontheilig uw dochter niet door haar tot ontucht te laten overgaan (Leviticus 19:29). Je hoeft dus niet alleen je dochter te beschermen tegen wat anderen doen. Je kunt haar ook onbedoeld de verkeerde kant op sturen, doordat je haar laat rondlopen zoals het beeld van de wereld dat voorschrijft. Natuurlijk bedoelt Leviticus daarmee ten diepste de ontucht zelf. Maar wie zijn dochter zo kleedt dat ze eruitziet alsof ze daarvoor te koop is, speelt er wel mee.
Ouders hebben daarin de leiding. Houd uw kind in de tucht en vermaning van de Heer (Efeziërs 6:4). Leer het kind de weg die het gaan moet (Spreuken 22:6). Een kind dat aan zichzelf wordt overgelaten, brengt zijn moeder tot schande (Spreuken 29:15). De priester Eli werd gestraft omdat hij zijn zonen niet corrigeerde (1 Samuël 3:13). En een opziener moet zijn kinderen in onderdanigheid houden, want wie zijn eigen huis niet kan besturen, hoe zal die voor Gods gemeente zorgen? (1 Timotheüs 3:4-5) Een kind is niet geboren om zijn ouders te regeren. Als de kinderen bepalen wat er thuis gebeurt, en de ouders zeggen overal “ja” en “amen” op, dan zijn ze hun taak kwijt.
Dat de Bijbel ook buiten het huwelijk de seksualiteit beschermt, is geen toeval. Vlucht voor de hoererij (1 Korinthe 6:18), en het huwelijk moet in ere gehouden worden (Hebreeën 13:4). Wie jongeren zonder duidelijke regels laat opgroeien, hoeft zich er niet over te verbazen dat ze meegaan met de wereld.
Een man wordt boos op andere mannen die naar zijn vrouw kijken en wil het bijna uitvechten. Maar hij heeft haar zelf laten uitgaan in een korte rok en met een diep uitgesneden bovenstuk. Wat verwacht hij dan? De Bijbel zegt dat de man macht heeft over het lichaam van zijn vrouw, en de vrouw over dat van haar man (1 Korinthe 7:4). Dat betekent: het lichaam van je vrouw is niet bedoeld om te showen. Wie vecht om iets te beschermen wat hij zelf laat zien, moet eerst met zichzelf gaan vechten.
De Heer waarschuwt de gemeente van Laodicea: “Dat de schaamte van uw naaktheid niet openbaar worde” (Openbaring 3:18). God heeft in het begin zelf kleding gemaakt om Adam en Eva te bedekken (Genesis 3:21), en de priesters moesten linnen onderkleding dragen om hun naaktheid te bedekken (Exodus 28:42). Bedekking is dus iets heiligs. Het is Gods eigen gedachte.
“Als je het hebt, mag je het laten zien.”
Het lichaam van een gelovige is niet van hemzelf. Het is een tempel van de Heilige Geest, en u bent met een prijs gekocht, verheerlijk God dus in uw lichaam (1 Korinthe 6:19-20). Ook de ware tooi van een vrouw zit volgens Petrus niet in uiterlijk vertoon, maar in de verborgen mens van het hart (1 Petrus 3:3-4).
“Mijn man vindt het mooi.”
Je moet God eerst behagen, en pas daarna je man. Paulus schrijft: als ik nog mensen zou behagen, zou ik Christus’ dienaar niet zijn (Galaten 1:10). Men moet God meer gehoorzamen dan mensen (Handelingen 5:29). En ook onderdanigheid aan een man is volgens de Bijbel “zoals het in de Heer betaamt” (Kolossenzen 3:18), dus nooit tegen Gods Woord in.
“Het was vroeger, dat is nu anders. Dit is gewoon mode.”
Wie in Christus is, is een nieuw schepsel. Het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden (2 Korinthe 5:17). Een pruik, valse wimpers en elke modegril die je volgt, horen bij het oude leven. De Bijbel gaat uit van een ander leven dan dat van de wereld: wees de wereld niet gelijkvormig (Romeinen 12:2), heb de wereld niet lief (1 Johannes 2:15-17). Jezebel versierde haar ogen en haar hoofd en werd niet geprezen (2 Koningen 9:30), en God vraagt waarom je je met schoonheidsmiddelen opsiert als Hij je toch verwerpt (Jeremia 4:30). Gods maatstaf verandert niet (Maleachi 3:6; Hebreeën 13:8). Zelfs onderscheid tussen man en vrouw in kleding is Hem niet onverschillig (Deuteronomium 22:5).
Daarom zegt God door Mozes: maak onderscheid tussen heilig en onheilig, en tussen onrein en rein (Leviticus 10:10). Een christen hoort anders te zijn. “Weest heilig, want Ik ben heilig”, schrijft Petrus (1 Petrus 1:15-16). Zonder heiliging zal niemand de Heer zien (Hebreeën 12:14). Als je in de kerk zit en er is geen verschil met de wereld te zien, dan is er iets niet in orde.
Het hoofd bedekken
Een tweede onderwerp waar veel kerken om heen draaien, is de hoofdbedekking. Paulus schrijft er een heel stuk over in 1 Korinthe 11. Hij begint met een compliment: ik prijs u dat u in alles aan mij denkt en de inzettingen houdt zoals ik ze u heb overgeleverd (1 Korinthe 11:2). Daarna volgt de regel.
Het hoofd van elke man is Christus, het hoofd van de vrouw is de man (vers 3).
Elke man die bidt of profeteert met bedekt hoofd, onteert zijn hoofd (vers 4).
Elke vrouw die bidt of profeteert met onbedekt hoofd, onteert haar hoofd. Het is alsof ze kaalgeschoren is (vers 5).
Wil een vrouw zich niet bedekken, laat ze dan ook haar haar afknippen. Maar als dat schandelijk is, laat ze zich dan bedekken (vers 6).
Voor mannen is het eenvoudig. Een man hoort zijn hoed of pet af te nemen als hij bidt. In Nederland doen we dat bij een begrafenis of in een kerkgebouw ook nog vanzelf. We voelen dat een bedekt hoofd daar niet past. En de vrouw? Dan lees je dat ze een bedekking op haar hoofd moet hebben.
“Maar haar haar is toch haar bedekking?”
Dit is het meest gehoorde excuus. Het wordt gehaald uit vers 15: als een vrouw lang haar heeft, is dat een eer voor haar, want het haar is haar tot een bedekking gegeven. Dus, zeggen mensen, hoeft er niets bij. Maar kijk wat de Bijbel zelf zegt in vers 6: als een vrouw zich niet bedekt, laat ze haar haar dan ook afknippen. Als haar haar al de bedekking was, zou deze zin onzin zijn. Dan zou je zeggen: “Als ze haar haar niet heeft, laat haar haar dan afknippen.” Paulus maakt dus onderscheid tussen het haar en de bedekking, en de Bijbel spreekt zichzelf hier niet tegen.
Er zijn drie woorden die verschillen: bedekt, onbedekt en bedekking. Wat onbedekt is, is bloot. Wat bedekt is, is niet te zien. En een “bedekking” is iets wat bedoeld is om te bedekken, en daarom iets extra’s.
Twee klussers leggen een vloer. Er komt iemand binnen en vraagt: “Wat zijn jullie aan het doen?” “We bedekken de vloer. Kom over een kwartier terug.” Dan is de vloer na een kwartier bedekt en klaar. Voordat het zover is, zijn ze met bedekken bezig. Het woord “bedekking” wijst dus op iets wat erbij komt, iets wat je er bewust bij doet.
Zo is het ook als het koud is buiten. Een moeder zegt tegen haar dochter: “Doe iets op je hoofd, anders word je verkouden.” Het meisje heeft al haar haar, maar de moeder zegt toch: doe er iets op. Haar haar is een natuurlijke bedekking, maar de moeder bedoelt er iets extra’s mee.
Waarom is dit zo belangrijk? Paulus noemt een reden: daarom moet de vrouw macht op het hoofd hebben, om de engelen (1 Korinthe 11:10). Dat is het teken dat ze Gods orde erkent. Zo toont ze respect voor de man op aarde, en eer voor de engelen in de hemel. De engelen verschijnen in de Bijbel in de gedaante van een man. In het boek Daniël wordt Gabriël zelfs “de man Gabriël” genoemd (Daniël 9:21).
“Dat was cultuur in Korinte. Het geldt nu niet meer.”
Paulus bouwt zijn argument niet op de cultuur van Korinte, maar op de orde van God: Christus, man, vrouw (vers 3), en op de schepping, want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man (vers 8-9). Dat is voor elke tijd en elk land hetzelfde. Hij zegt zelfs: als iemand twistziek is, wij hebben zulk een gewoonte niet, de gemeenten Gods evenmin (vers 16). En dat wat hij schrijft, is een gebod van de Heer (1 Korinthe 14:37). Dat we in Nederland weinig bedekte hoofden zien in kerken, is geen argument. Het is juist een reden om je af te vragen of we het Woord nog volgen.
“Het gaat om het hart, niet om een lapje stof.”
Het hart is belangrijk (1 Samuël 16:7). Maar Jezus Christus zegt dat wie Hem liefheeft zijn geboden bewaart (Johannes 14:15). Een hart dat God liefheeft, doet ook wat Hij vraagt, ook als het klein lijkt. Wie zegt “mijn hart is goed” maar het gebod niet doet, vertrouwt op zijn eigen hart, en dat noemt de Bijbel bedrieglijk (Jeremia 17:9).
Gered door een gebed?
Nu komen we bij de kern: hoe word je gered? In veel kerken, op televisie en op internet wordt gezegd: buig je hoofd, steek je hand op, zeg het gebed na, nodig Jezus Christus uit in je hart, en je bent gered. Soms zegt de prediker: “Raak je scherm aan en je bent gered.” Of: “Word lid van de kerk en je hoort erbij.” Maar staat dat in de Bijbel?
Mensen wijzen dan naar Romeinen 10:9-10: als je met je mond belijdt dat Jezus Christus Heer is en met je hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult je behouden worden. Lees goed: er staat niet “ben je gered”, er staat “zult behouden worden”. Dat is geen kleinigheid. Het wijst naar wat nog moet gebeuren.
Wat dat is, zie je op de dag van Pinksteren. Petrus preekt, en de mensen worden diep getroffen. Ze vragen: wat moeten wij doen? (Handelingen 2:37). En Petrus zegt niet: “Zeg maar een gebed.” Hij zegt: bekeer u, en laat u allen dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van de zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen (Handelingen 2:38).
Lees zelf maar wat de Bijbel verder zegt over redding. Wie gelooft en gedoopt is, zal behouden worden (Markus 16:16). Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan (Johannes 3:5). De doop redt ons, zegt Petrus, niet als het afleggen van lichamelijk vuil, maar als het vragen van een goed geweten aan God (1 Petrus 3:21). En Ananias zegt tegen Saulus: sta op, laat u dopen en laat uw zonden afwassen, terwijl u de naam van de Heer aanroept (Handelingen 22:16).
“Ik heb dat gebed gebeden, en ik geloof. Dat is genoeg.”
Je kunt het gebed honderd keer per dag zeggen, het blijft onbijbels als de Bijbel het niet leert. Wie niet berouw toont van zijn zonden, wordt niet gered. Wie zich niet laat dopen op de manier waarop de Bijbel het zegt, is nog niet gered. Geloof zonder daden is dood, zegt Jakobus (Jakobus 2:17, 24). Jezus Christus vraagt: waarom noemt u Mij Heer, Heer, en doet u niet wat Ik zeg? (Lukas 6:46)
“De moordenaar aan het kruis werd toch ook gered zonder doop?”
Jezus Christus zei tegen hem: vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn (Lukas 23:43). Maar hij leefde nog onder de oude bedeling, voordat Jezus Christus gestorven en opgestaan was. Een testament gaat pas gelden na de dood van de erflater (Hebreeën 9:16-17). De opdracht om te dopen is gegeven nadat Jezus Chrsitus was opgestaan (Mattheüs 28:19; Lukas 24:46-47), en vanaf Pinksteren geldt Handelingen 2:38 voor iedereen.
De doop in de naam van Jezus Christus
Jezus Christus gaf de opdracht: ga dan heen, onderwijs alle volken en doop hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest (Mattheüs 28:19). Let op: er staat naam, in het enkelvoud, niet “namen”. Vader, Zoon en Heilige Geest zijn geen namen, maar titels of aanduidingen.
Stel dat iemand Jansen heet. Hij is een zoon, omdat hij door zijn ouders is geboren. Hij is een echtgenoot, omdat hij getrouwd is. En hij is een vader, omdat hij kinderen heeft. Drie rollen, drie titels. Maar als je iets in zijn naam wilt doen, ga je niet zeggen: “in de naam van de zoon” of “in de naam van de vader”. Je zegt: “in de naam van Jansen.” Zijn naam is Jansen, in alle rollen.
Zo is het met Vader, Zoon en Heilige Geest. De naam daarvan is Jezus Christus, de Heer. Daarom zien we dat de apostelen, die de opdracht van Jezus Christus het best begrepen, doopten in de naam van Jezus Christus (Handelingen 2:38). Mattheüs 28:19 was de instructie, en Handelingen 2:38 is de uitvoering. Dat gebeurde ook in Samaria, “in de naam van de Heer Jezus” (Handelingen 8:16), bij het huis van Cornelius, “in de naam van de Heer” (Handelingen 10:48), en bij de twaalf mannen in Efeze (Handelingen 19:1-5). Zelfs Jezus Christus zei dat bekering en vergeving van zonden in zijn naam gepredikt moesten worden (Lukas 24:47). En Paulus schrijft: alles wat u doet, in woord of werk, doe het alles in de naam van de Heer Jezus (Kolossenzen 3:17). Want in niemand anders is er behoud, en er is onder de hemel geen andere naam gegeven waardoor wij moeten behouden worden (Handelingen 4:12).
Waarom niet alleen “Jezus”?
Je hoort mensen zeggen: “Ik ben toch gedoopt in Jezus’ naam?” Toch is het opvallend dat niemand in de Bijbel gedoopt wordt in alleen de naam “Jezus”. Het staat er steeds met een toevoeging: Jezus Christus, of de Heer Jezus. Dat is niet zonder reden. Er is meer dan één “Jezus” in de Bijbel. Jezus is de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Jozua. Daarom wordt Jozua in sommige vertalingen van Handelingen 7:45 en Hebreeën 4:8 “Jezus” genoemd. In het Nieuwe Testament is er een tovenaar die Bar-Jezus heette (Handelingen 13:6) en een medewerker van Paulus die Jezus werd genoemd, met de bijnaam Justus (Kolossenzen 4:11).
Dat is waarom de apostelen zeggen: Jezus Christus, of de Heer Jezus. Daarmee is Hij onderscheiden van alle andere mensen die Jezus heetten. Wie zeker wil weten dat hij het goed gedaan heeft, doet het zoals het geschreven staat.
Hoe, en door wie, wordt er gedoopt?
De doop gebeurt niet met een paar druppels. In Nederland worden veel kinderen als baby gedoopt, met een beetje water over het hoofd. Maar het woord “dopen” betekent onderdompelen. Paulus legt uit: wij zijn met Hem begraven door de doop in de dood (Romeinen 6:3-5). En in een graf word je niet besprenkeld, maar je wordt er helemaal in gelegd. Dat staat ook in Kolossenzen 2:12: met Hem begraven in de doop.
Zo zien we het ook gebeuren. Jezus Christus kwam na zijn doop “uit het water” omhoog (Mattheüs 3:16). Johannes doopte in Aenon, omdat daar veel water was (Johannes 3:23). En toen de kamerling en Filippus bij water kwamen, daalden ze allebei af in het water, en Filippus doopte hem (Handelingen 8:36-39). Een kuipje of een beetje water was dan niet nodig geweest.
Dat betekent dat de besprenkeling niet in de Bijbel staat, en dat geldt in Nederland voor de rooms-katholieke kerk, voor de Protestantse Kerk en voor veel andere kerken. Wie als baby is besprenkeld, is dus niet gedoopt zoals de Bijbel het zegt. Dat past ook bij wat de Bijbel over de volgorde zegt: eerst geloven en berouw, daarna dopen (Markus 16:16; Handelingen 8:12). Een baby kan niet geloven en zich niet bekeren. Er is maar één doop (Efeziërs 4:5), en de twaalf mannen in Efeze, die al gedoopt waren met de doop van Johannes, werden opnieuw gedoopt, nu in de naam van de Heer Jezus (Handelingen 19:1-5).
“Ik ben als baby gedoopt, dat telt toch? Water is water.”
Als de manier niet uitmaakte, hadden de twaalf mannen in Efeze niet opnieuw gedoopt hoeven worden (Handelingen 19:1-5). Zelfs Jezus Christus liet zich dopen om “alle gerechtigheid te vervullen”, dat wil zeggen: om te doen wat goed is (Mattheüs 3:15). Als de Zoon van God zich eraan houdt, dan wij zeker.
Er is nog een vraag: wie mag dopen? In de Bijbel zie je dat Jezus Christus de dopeling was en Johannes de doper (Mattheüs 3:13-15). Dat is de volgorde. De doper is steeds een man: Johannes, Filippus (Handelingen 8:38), Ananias (Handelingen 9:17-18; 22:16) en de broeders bij Cornelius (Handelingen 10:47-48). Er is in de Bijbel geen enkele plek waar een vrouw dooplingen doopt. Paulus schrijft ook dat vrouwen in de gemeente niet over de man mogen heersen of leraar mogen zijn (1 Timotheüs 2:11-12; 1 Korinthe 14:34). Dat betekent niet dat vrouwen niets kunnen betekenen. Priscilla en Aquila legden Apollos samen de weg van God nauwkeuriger uit (Handelingen 18:26). Maar dat gebeurde persoonlijk en onder haar man, niet als leider in de gemeente. Dat de Protestantse Kerk en anderen vrouwen als predikant en doper hebben, is dan ook iets wat de Bijbel niet laat zien.
Wie de naam goed heeft maar de manier niet, heeft dus nog niet alles gedaan. Je moet het doen zoals het in het Woord staat. Zo ben je in de kerk die Jezus Christus bouwde op Pinksteren in Jeruzalem.
Nog meer excuses
Naast alles wat hierboven al is behandeld, worden er nog een paar andere excuses gebruikt. Ze klinken vaak redelijk, maar de Bijbel heeft er een antwoord op.
“Alle kerken leiden toch naar dezelfde hemel?”
Jezus Christus zegt dat de poort nauw en de weg smal is die naar het leven leidt, en dat er weinigen zijn die hem vinden (Mattheüs 7:13-14). Hij is de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Hem (Johannes 14:6). Er is één Heer, één geloof, één doop (Efeziërs 4:5). Er is dus niet een bonte verzameling wegen.
“Mijn kerk is groot, en er komen zoveel mensen. Dat kan toch niet fout zijn?”
De Bijbel zegt: volg de menigte niet ten kwade (Exodus 23:2). De brede weg heeft veel bewoners, en leidt naar het verderf (Mattheüs 7:13). En Jezus Christus noemt zijn volk een “klein kuddeke” (Lukas 12:32). Grootte is geen bewijs.
“Ik ben hier in deze kerk opgegroeid. Mijn ouders en grootouders gingen er ook al naartoe.”
Jezus Christus verwijt de Farizeeën dat ze Gods gebod ongeldig maakten door hun overlevering (Mattheüs 15:3-6). Tradities zijn geen maatstaf. God zegt dat Hij de tijden van onwetendheid door de vingers heeft gezien, maar nu overal alle mensen gebiedt zich te bekeren (Handelingen 17:30). Ieder zal voor zichzelf rekenschap afleggen (Romeinen 14:12).
“Ik voel dat het goed zit. Het gaat om wat ik voel.”
Er is een weg die iemand recht lijkt, maar het einde ervan zijn wegen des doods (Spreuken 14:12). Wie op zijn eigen hart vertrouwt, is een dwaas (Spreuken 28:26). Gevoel is geen toets. Het Woord is dat wel (Jesaja 8:20).
“Genade dekt alles. Ik ben niet onder de wet, maar onder de genade.”
Paulus beantwoordt dit zelf: zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade overvloediger worde? Volstrekt niet (Romeinen 6:1-2, 15). De genade van God leert ons de goddeloosheid en de wereldse begeerten te verloochenen en bezadigd, rechtvaardig en godvrezend te leven (Titus 2:11-12). En Judas waarschuwt voor mensen die de genade van onze God in losbandigheid veranderen (Judas 4).
“In Nederland leven en laten leven we. Geloof is privé.”
Tolerantie tussen mensen is goed, en niemand mag een ander dwingen. Maar het Woord laat zich niet privatiseren. Jezus Christus zegt dat wie zich voor Hem en zijn woorden schaamt, zich zal worden geschaamd door de Mensenzoon (Markus 8:38). En Judas roept ons op strijd te leveren voor het geloof dat eens voor al aan de heiligen is overgeleverd (Judas 3). Wie liefheeft, zwijgt niet als iemand de verkeerde kant op gaat (Jakobus 5:19-20).
Toets alles aan de Bijbel
Dit is geen oproep tot hoogmoed, en ook geen oproep om op anderen neer te kijken. Het is een oproep om de Bijbel zelf de rechter te laten zijn. “Toets alle dingen, behoud het goede”, schrijft Paulus (1 Thessalonicenzen 5:21). Doe uw best om uzelf Gode goedgekeurd voor te stellen, als een arbeider die zich niet hoeft te schamen en het woord der waarheid recht snijdt (2 Timotheüs 2:15).
Neem de punten uit deze blog en leg ze naast je eigen kerk, en naast ons ook. Vraag jezelf eerlijk af:
Staat de leer van mijn kerk in de Bijbel, en dan helemaal?
Hoe worden bij ons de kinderen opgevoed, en hoe kleden we ons?
Wordt Gods orde over man en vrouw en de hoofdbedekking gevolgd?
Heb ik mij bekeerd, en ben ik gedoopt door onderdompeling in de naam van Jezus Christus, tot vergeving van mijn zonden?
Heb ik de Heilige Geest ontvangen, zoals beloofd is (Handelingen 2:38)?
Wij, de kerkgemeente De Waarheid Gods, willen niets anders doen dan prediken wat er geschreven staat. Ook wij laten ons toetsen aan het Woord, zoals de Bereeërs dat deden (Handelingen 17:11). Wie ons iets uit de Schrift laat zien wat wij anders moeten doen, hoort die correctie met dankbaarheid aan (Spreuken 9:8-9).
Als je merkt dat je kerk iets leert wat de Bijbel niet leert, of iets weglaat wat de Bijbel wel leert, wacht dan niet. Doe zoals Petrus het op Pinksteren zei: bekeer u, en laat u dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van de zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen (Handelingen 2:38). Zo hoor je bij de kerk die Jezus Christus begonnen is.
En Hem, die machtig is u van struikelen te bewaren en u onberispelijk voor zijn heerlijkheid te stellen met grote vreugde, de enige wijze God, onze Heiland en Heer Jezus Christus, zij heerlijkheid en kracht, nu en tot in alle eeuwigheid (Judas 24-25).

Opmerkingen